Bibliotheek

Bibliotheken kampen met een forse krimp van hun leden en uitleningen. In 2015 zijn er signalen van een ommekeer, met een stabilisatie van de ledenaantallen en een groei in uitgeleende boeken. Het e-boek laat zelfs exponentiële groeicijfers zien. Er zijn minder reguliere vestigingen en meer afhaalpunten met een beperkte dienstverlening. Bijna de helft van de Nederlanders bezoekt de bibliotheek. Bezoekers beschouwen leesplezier als de belangrijkste opbrengst van de bibliotheek. Bibliotheken kunnen in hun ogen meer doen om te werken aan hun imago. Kinderen gaan minder vaak naar de bibliotheek als ze ouder worden.

Leden

Het aantal bibliotheekleden is de afgelopen decennia fors gekrompen. Het absolute piekjaar was 1994. Toen bezat een recordaantal Nederlanders een bibliotheekpas: 4,59 miljoen mensen, goed voor 30% van de bevolking. In 2000 was het aantal leden gedaald tot 4,31 miljoen (27% van de bevolking), om in 2015 uit te komen op 3,78 miljoen (22% van de bevolking). Dat is een daling van 800.000 leden of 18% in twintig jaar tijd. Ten opzichte van 2014 is het aantal leden in 2015 stabiel gebleven (CBS, 2016CBS, 2016).

Bibliotheekleden

In miljoenen aantallen

* Tot 1999 werden jeugdleden en volwassen leden niet apart geteld.
** Cijfers over de periode 1996-1998 ontbreken.

De krimp komt volledig voor rekening van de volwassen leden. Sinds 2000 is het aantal Nederlanders van 18 jaar en ouder met een bibliotheekpas met 780.000 mensen gedaald, naar 1,48 miljoen leden (-35%). In 2015 is 11% van de volwassen Nederlanders lid van de bibliotheek. In 2005 ging het nog om 16,2%, in 2000 om 18,3%. Het aantal volwassen leden daalde van 2014 op 2015 opnieuw, met 3% (CBS, 2016CBS, 2016).

Tussen 2000 en 2005 telde de bibliotheek elk jaar minder jeugdleden, waarna een heropleving volgde. Het aantal kinderen en jongeren met een pasje is sinds 2005 met 330.000 gegroeid, van 1,98 naar 2,31 miljoen jeugdleden (+17%). In 2015 is 67% van de Nederlanders onder de 18 jaar lid van de bibliotheek, en dat is een recordaantal. In 2005 ging het om 55%, in 2000 om 59%. Het aantal jeugdleden steeg van 2014 op 2015 opnieuw, met 2,2% (CBS, 2016CBS, 2016).

De aanwas onder de jeugd komt mede door een sterkere focus op de jeugd. Bibliotheken organiseren (samen met andere partijen zoals Stichting Lezen en CPNB) steeds meer leesbevorderingsprogramma’s en -campagnes. Voorbeelden zijn Boekstart, de VoorleesExpress, de Bibliotheek op school, Nederland Leest en de Nationale Voorleesdagen.

Uitleningen

De uitleningen van boeken zijn harder gekrompen dan de ledenaantallen. De absolute top lag in 1983, toen Nederlanders 174 miljoen boeken uit de bibliotheek mee naar huis namen. In de tien jaar die volgden, schommelde het aantal uitleningen constant rond de 170 miljoen, om vervolgens structureel te gaan dalen. In 2014 werden er 72 miljoen boeken uitgeleend, een ruime halvering ten opzichte van twintig jaar eerder. In 2015 is er voor het eerst sinds 1997 sprake van een plus van 1%, naar 73,4 miljoen uitgeleende boeken. Dat komt niet door de opmars van het e-boek: het gaat uitsluitend om gedrukte boeken. Een bibliotheeklid neemt gemiddeld 19 boeken per jaar mee naar huis, terwijl dat er in 1994 nog 37 waren. Boeken zijn goed voor 93% van alle uitgeleende materialen (CBS, 2016).

Uitleningen gedrukte boeken

In miljoenen aantallen

De krimp betreft, in lijn met het patroon bij de leden, vooral het aantal uitleningen aan volwassenen. In 2000 gingen er 82,7 miljoen boeken voor volwassenen over de balie, in 2015 waren dat er nog 35,8 miljoen (-57%). Het grootst is de neergang bij het genre non-fictie, waar het aantal uitgeleende boeken daalde van 25,4 miljoen naar 8,2 miljoen (-68%). Bij fictie gaat het om een min van 52%, van 57,2 miljoen naar 27,5 miljoen uitgeleende boeken. Waar een volwassen bibliotheeklid in 2000 gemiddeld 37 boeken mee naar huis nam, zijn dit er in 2015 nog 24. Het aantal uitleningen van boeken voor volwassenen daalde van 2014 op 2015 opnieuw, met 3,3% (CBS, 2016).

Ondanks dat het aantal jeugdleden in de lift zit, zijn zij ook minder boeken gaan lenen. Het aantal uitleningen van boeken voor de jeugd is sinds 2000 vrijwel constant gedaald: van 58,8 miljoen naar 37,7 miljoen stuks in 2015 (-36%). Net als bij volwassenen is de neergang binnen het genre non-fictie ('ontwikkelingsboeken') het grootst, van 10,9 miljoen naar 5,6 miljoen uitleningen (-49%). Voor fictie ('verhaalboeken') gaat het om een min van 33%, van 47,9 miljoen naar 32,1 miljoen uitleningen. Waar een jeugdlid in 2000 gemiddeld 29 boeken mee naar huis nam, zijn dat er in 2015 nog 16 (CBS, 2016).

Het aantal uitleningen van boeken voor de jeugd steeg van 2014 op 2015 met 6%. 2015 is het eerste jaar dat er meer boeken voor de jeugd dan voor volwassenen zijn uitgeleend. De oorzaak van deze forse stijging is onduidelijk. Een groeiend aantal boeken voor jeugdleden wordt uitgeleend binnen het leesbevorderingsprogramma de Bibliotheek op school. Voorheen gaven veel bibliotheken deze cijfers niet op (Stichting Leenrecht, 2016). Mogelijk gaan steeds meer bibliotheken dat nu wél doen.

Uitleningen e-boeken

De bibliotheek leent met ingang van 2014 ook e-boeken uit. 300.000 bibliotheekleden hebben een digitaal lidmaatschap, goed voor 8% van het totaal aantal leden (Koninklijke Bibliotheek, 2016). Ruim acht op de tien accounts behoren toe aan een volwassen bibliotheeklid, waarmee zij bij digitaal lenen ruim in de meerderheid zijn (Koninklijke Bibliotheek, 2016).

De digitale leden leenden in het eerste half jaar van 2016 ruim 1,3 miljoen e-boeken (Koninklijke Bibliotheek, 2016). Ter vergelijking: in heel 2015 waren dat er 1,6 miljoen (CPNB, 2016). Dat betekende een verdubbeling ten opzichte van de 814.000 stuks in het jaar dáárvoor (Centraal Boekhuis, 2015). Digitale leden lenen gemiddeld minder e-boeken dan gewone leden (gedrukte) boeken: 6,7 tegenover 19,1 (Koninklijke Bibliotheek, 2016).

In de app Vakantiebieb wordt tijdens de zomerperiode een selectie van e-boeken gratis aangeboden. De app is in 2015 750.000 keer gedownload (Koninklijke Bibliotheek, 2016). Gebruikers downloadden in totaal 2,2 miljoen e-boeken (Koninklijke Bibliotheek, 2016).

Het aandeel van e-boeken in de totale uitleningen is bescheiden: 5%. Het aantal uitgeleende boeken is inclusief e-boeken weer terug op het niveau van 2013: ruim 77 miljoen stuks.

Uitleningen genres

Het kinder- en jeugdboek was in 2015 goed voor 46% van alle bij de bibliotheek geleende boeken, gevolgd door spannende boeken (thrillers, detectives) met 40%. Jeugdboekenauteur Jeff Kinney bezet de volledige top 6 van de top 100 van meest geleende boeken met zijn serie Het leven van een loser. Een andere populaire jeugdserie, met vier titels in de top 20, is Dagboek van een muts van Rachel Renée Russell. Ook spannende boeken van vrouwelijke Nederlandse thrillerauteurs zijn zeer sterk in trek. De Kraamhulp van Esther Verhoef staat op plek 7, Vraag niet waarom van Simone van der Vlugt op 10 en Debet van Saskia Noort op 12. De meest uitgeleende auteur is Paul van Loon, met 10 titels in de top 100, gevolgd door Jeff Kinney (9) en Suzanne Vermeer (8) (CPNB, 2016).

Van lenen naar kopen

Net als de bibliotheekuitleningen zijn ook de boekverkopen de laatste jaren sterk gekrompen. In verhouding blijven de verkopen beter op peil. De Nederlander kocht in 2015 gemiddeld 2,3 boeken (gedrukt én digitaal), precies evenveel als tien jaar eerder. Daarentegen leende de Nederlander gemiddeld 4,6 boeken (gedrukt én digitaal), een daling van 40% ten opzichte van de 7,5 boeken in 2005.

Voor ieder boek dat Nederlanders in 2015 kochten, leenden ze dus 2 exemplaren. In 2005 waren dat er nog 3,3. In verhouding tot de aankopen zijn de uitleningen dus fors gedaald. De oorzaak hiervan is onduidelijk. Mogelijk neemt de noodzaak om boeken te lenen af door het stijgende welvaartsniveau. Een verder groeiende groep mensen kan het zich permitteren om boeken 'permanent' in bezit te krijgen.

Uitleenlocaties

Bibliotheken herbezinnen zich op hun rol in de samenleving. Dat komt door technologische ontwikkelingen. In de jaren ’90 was er de grootschalige introductie van de computer en het internet, het afgelopen decennium gevolgd door de komst van de smartphone, de tablet en de e-reader. Deze mobiele, digitale dragers maken informatie altijd en overal, hands-on, beschikbaar, en overlappen zodoende met de functie van de fysieke bibliotheek.

De sector kreeg daarom in 2000 de opdracht van de overheid om zichzelf te vernieuwen. Fysieke bibliotheken richten zich sindsdien niet meer alleen op het uitlenen van boeken en andere materialen, maar ook op het organiseren van educatieve activiteiten en debatavonden, het aanbieden van cursussen en het faciliteren van studieplekken. Daarnaast is er een landelijke digitale bibliotheek opgericht, en maken e-boeken deel uit van de collectie.

Het aantal fysieke bibliotheken is sinds de start van het vernieuwingstraject gedaald. Nederland telt halverwege 2016 154 basisbibliotheken, twee derde minder dan de 508 in 2001. Dit zijn overkoepelende organisaties die meerdere vestigingen aansturen (VOB, 2016CBS, 2015). Bezoekers hebben de keuze uit een nagenoeg even groot aantal vestigingen: halverwege 2016 zijn dat er 1130, tegen 1175 in 2013 (VOB/Cultuurindex, 2016).

Maar de verschijningsvorm van vestigingen verandert wél. Hoofdvestigingen, die meer dan 15 uur per week open zijn, maken een krimp door, van 843 locaties in 2012 naar 782 halverwege 2016. Datzelfde geldt voor servicepunten (4-15 uur per week open) en miniservicepunten (tot 4 uur per week open), die daalden van 326 locaties in 2012 naar 270 halverwege 2016. Het aantal afhaalpunten en zelfbedieningsbibliotheken groeit juist fors, van 6 locaties in 2013 naar 78 halverwege 2016 (VOB/Cultuurindex, 2016).

Afhaalpunten en zelfbedieningsbibliotheken bieden een beperkte dienstverlening. Ze concentreren zich op het uitlenen van boeken, en hebben niet de capaciteit om activiteiten te organiseren, leesbevorderingsprogramma's uit te voeren en samen te werken met scholen (VOB, 2016).

Het sluiten van vestigingen heeft tot gevolg dat Nederlanders verder van de bibliotheek wonen. De gemiddelde afstand tot de dichtstbijzijnde vestiging is 1,9 kilometer, 200 meter meer dan in 2006. Inwoners van Utrecht hoeven met 1,5 kilometer het minst ver te reizen, gevolgd door Zuid-Hollanders (1,6 km), Overijsselaars en Noord-Hollanders (1,7 km). Zeeuwen en Friezen wonen met 2,9 kilometer gemiddeld het verste weg, gevolgd door de inwoners van Drenthe (2,6 km) en Flevoland (2,5 km). De verschillen in bibliotheekdichtheid manifesteren zich vooral tussen stad en platteland. Terwijl de bibliotheek zich in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt om de hoek bevindt (op gemiddeld 500 meter), moeten inwoners van het Zeeuwse Noord-Beveland 14,6 kilometer afleggen (CBS, 2016).

Gebruik diensten

47% van de Nederlanders brengt met enige regelmaat een bezoek aan de bibliotheek (Stichting Marktonderzoek Boekenvak, 2015.3). 83% van de bezoekers gaat erheen om boeken te lenen, 38% om boeken te lezen en 39% om kranten en tijdschriften te lezen. De digitale voorzieningen worden door veel minder mensen gebruikt. 19% van de bezoekers zit weleens achter de computer, 18% surft in de bibliotheek op het internet en 8% maakt gebruik van het draadloos netwerk. Zelfs als bezoekers in de bibliotheek op zoek zijn naar informatie, hebben gedrukte media hun voorkeur. Driekwart gebruikt hiervoor boeken en naslagwerken, tegen 21% het internet (Koninklijke Bibliotheek, 2015).

Een kwart van de bezoekers neemt in de bibliotheek weleens deel aan culturele activiteiten. Het populairst zijn voorleesevenementen (11%) en literaire avonden (11%) (Koninklijke Bibliotheek, 2015). Bibliotheken organiseren ongeveer 72.000 activiteiten per jaar, waarvan de helft is gericht op educatie. Het gaat hier om cursussen lezen en schrijven voor laaggeletterden, trainingen van digitale vaardigheden en (leesbevorderende) activiteiten met scholen. Ruim een kwart heeft exclusief betrekking op lezen en literatuur. Het gaat daarbij om optredens van schrijvers, bijeenkomsten van leesclubs en literaire schrijfcursussen (CBS, 2015).

Opbrengsten

De bibliotheek is voor Nederland een belangrijke ‘leesmotor’. 71% van de bezoekers vindt dat de bibliotheek leesplezier biedt en 61% vindt zelfs dat de bibliotheek het leesplezier vergroot. Ook voor de leesontwikkeling van kinderen wordt de bibliotheek een voorname functie toegedicht. Bijna een op de drie bezoekers met (klein)kinderen zegt dat hun (klein)kinderen dankzij de bibliotheek meer zijn gaan lezen en/of lezen leuker zijn gaan vinden (Koninklijke Bibliotheek, 2015).

Andersom denkt bijna drie op de tien bibliotheekleden minder te gaan lezen als hun bibliotheekvestiging zou sluiten - een stijging ten opzichte van 2014. Twee op de tien leden geeft aan zonder de bibliotheek niet meer goed aan boeken te kunnen komen (Stichting Marktonderzoek Boekenvak, 2015.3).

De bibliotheek biedt ook andere culturele, sociale, educatieve en economische voordelen. 55% van de bezoekers komt er om geld te besparen, 43% leert er nieuwe dingen, 41% voelt zich er onder de mensen, 39% komt er in contact met kunst en cultuur en 35% weet zich er gesteund in zijn of haar persoonlijke ontwikkeling. Gevoelens en emoties die in de bibliotheek vaak worden ervaren, zijn ontspanning (63%), rust (53%), nieuwsgierigheid (48%), plezier (42%) en inspiratie (36%) (Koninklijke Bibliotheek, 2015).

Nederlanders beschouwen de bibliotheek als een plek die hoofdzakelijk belangrijk is voor ándere mensen. Terwijl 34% het persoonlijke belang onderschrijft, doet zo’n 69% dat voor het algemene belang. Van de mensen die de bibliotheek voor zichzelf niet belangrijk vinden, zegt bijna de helft wel het belang te zien voor de samenleving. In vergelijking met mensen uit andere landen zien Nederlanders over het algemeen minder opbrengsten van de bibliotheek. Alleen als het gaat om het bieden en vergroten van leesplezier, is hun waardering even positief als in het buitenland (Koninklijke Bibliotheek, 2015).

Imago

Nederlanders beschouwen de bibliotheek eerder als een nuttige dan als een plezierige plek. Er is een hoop informatie te vinden, maar tegelijkertijd is het er weinig sfeervol en uitnodigend. Vooral onder studenten en mensen die weinig lezen heeft de bibliotheek een negatief imago. Opvoeders van kinderen en mensen die lezen ter ontspanning vinden het er over het algemeen wel plezierig (Stalpers, 2015).

Het imago van de bibliotheek is sterk bepalend voor de bezoekers- en ledenaantallen. Mensen met een positief beeld van de bibliotheek brengen vaker een bezoek, zijn vaker lid, en zijn bereid om meer te betalen voor een lidmaatschap. Bibliotheken doen er daarom goed aan om aan hun imago te werken. Met name opvoeders van kinderen, studenten en zogenaamde serieuze lezers (mensen die voornamelijk literatuur, biografieën en non-fictie ter hand nemen) hebben behoefte aan een gezelligere, hippere, modernere en sfeervollere bibliotheek. Dat kan door faciliteiten zoals leesruimtes en horeca uit te breiden en meer activiteiten te organiseren (Stalpers, 2015).

Kinderen & bibliotheek

90% van de 7- tot 15-jarigen brengt wel eens een bezoek aan de openbare bibliotheek (Huysmans, 2013). Meisjes doen dat vaker dan jongens. Zij lenen bij een bezoek ook 26% meer boeken. Onder basisscholieren (7-12 jaar) zijn bibliotheekdiensten populairder dan onder middelbare scholieren (13-17 jaar). Niet alleen bezoeken zij de bieb vaker, ook lenen ze bij een bezoek 29% meer boeken (CHOICE, 2010). Voor schoolbibliotheken is dit leeftijdsverschil er niet. Als kinderen ouder worden, blijven ze daar even vaak boeken lenen (Huysmans, 2013).

Uitgeleende boeken per maand

In aantallen

Naast boeken gaan kinderen en jongeren ook naar de bibliotheek om cd’s, dvd’s en games te lenen. Ook brengen ze een bezoek om boeken en tijdschriften te lezen, op het internet te surfen en informatie op te zoeken in boeken (Huysmans, 2013).

Bijna de helft van de 7- tot 17-jarigen staat neutraal tegenover een bibliotheekbezoek. Als kinderen ouder worden, krijgen ze een negatievere attitude tegenover de bibliotheek (CHOICE, 2010). Dat komt mogelijk doordat ze er vaker heen moeten voor huiswerk, waardoor de bibliotheek een verplicht karakter krijgt (Huysmans, 2013). Middelbare scholieren zien een bibliotheekbezoek dan ook als nuttig en verstandig, niet zozeer als plezierig. Hun attitude is utilitair in plaats van hedonistisch (Stalpers, 2011).

Om meer jongeren aan te spreken, doen bibliotheken er goed aan om zichzelf te vernieuwen. Middelbare scholieren hebben behoefte aan mediadossiers, een breder aanbod van Young Adult Literatuur en een speciale jongerenafdeling. In dat geval zou het percentage jongeren dat de bibliotheek meerdere keren per jaar bezoekt, kunnen stijgen van 35% naar 80% (Stalpers, 2011).

Netwerken voor leesbevordering

Het programma Kunst van Lezen, waar BoekStart en de Bibliotheek op school deel van uitmaken, zet in op een structurele, geïntegreerde aanpak voor leesbevordering, gebaseerd op de doorgaande leeslijn. Dat betekent dat opvoedingsinstanties kinderen doorlopend in contact brengen met boeken, opdat zij zich kunnen ontwikkelen tot blijvende lezers. Daarom werken bibliotheken, scholen, kinderopvanginstellingen, boekhandels en overheidsorganen intensief samen. Binnen Kunst van Lezen brengt de openbare bibliotheek hen rond de tafel, door lokale en bovenlokale netwerken op te zetten.

In 2010 hebben twaalf basisbibliotheken in de provincies Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Flevoland deelgenomen aan een pilotproject. In 2012 is deze pilot uitgebreid naar in totaal 36 basisbibliotheken. Uit een monitor blijkt het opzetten van een netwerk met name succesvol als het wordt gekoppeld aan concrete programma's of activiteiten, zoals BoekStart of de Bibliotheek op school. Daarnaast zijn de rol van de directeur, een heldere visie op leesbevordering en een goede afstemming en coördinatie van belang.

Binnen de netwerken staat het uitwisselen van kennis en ervaringen centraal. Dit gebeurt door middel van workshops en conferenties. Deze worden door de deelnemende bibliothecarissen en directeuren over het algemeen positief geëvalueerd.