Onderwijscijfers

Er zijn steeds minder onderwijsinstellingen, maar de leerlingpopulatie blijft stijgen, met name op de hogere opleidingsniveaus. Nederlandse basisscholieren krijgen internationaal gezien veel les in lezen, schrijven en literatuur. De referentieniveaus Nederlandse taal moeten zorgen voor betere leesprestaties. Hogere lerarensalarissen zijn daarvoor effectiever dan kleinere klassen.

Onderwijsinstellingen

Het aantal onderwijsinstellingen in Nederland is in de periode 2000/1-2010/11 fors afgenomen. Dit geldt voor alle soorten instellingen, van het basis- tot het hoger onderwijs. Wel is de afname sterker naarmate het onderwijsniveau stijgt: voor basisscholen gaat het om 0,9%, voor hogescholen om 19,4%. Alleen het aantal universiteiten is in de afgelopen tien jaar gelijk gebleven. In het voortgezet onderwijs blijken vooral de bijzondere scholen het slachtoffer; de daling van bijna 5% komt vrijwel geheel voor hun rekening (CBS, 2011).

Binnen het basis- en voortgezet onderwijs is het aantal brede scholen het afgelopen decennium sterk aan het groeien. Nederland telt in schooljaar 2010-2011 ongeveer 2.000 brede basisscholen (29% van het totaal) en 400 brede middelbare scholen (61% van het totaal). Brede scholen werken samen met organisaties voor kinderopvang, welzijn, zorg, sport en cultuur, waardoor ze leerlingen een programma kunnen bieden dat meer behelst dan onderwijs alleen (Oberon, 2012).

Klik hier om te vergroten

Leerlingpopulatie

Net als in de bibliotheeksector is er in het onderwijs het afgelopen decennium sprake geweest van fusies en overnames. Dat verklaart ook hoe de leerlingpopulatie, ondanks de daling bij de instellingen, sterk heeft kunnen stijgen. Hier geldt: hoe hoger het onderwijsniveau, hoe groter de groei in het aantal leerlingen. Voor basisscholen gaat het om een minimale daling van 0,8%, terwijl het aantal mbo’ers met een vijfde toenam en het aantal universitair studenten zelfs met bijna de helft (CBS, 2011).

Klik hier om te vergroten

Het bijzonder basisonderwijs boekte een lichte groei, deels omdat minder ouders hun kinderen naar een openbare basisschool stuurden. In het voortgezet onderwijs is de leerlingpopulatie juist harder gegroeid op openbare dan op bijzondere scholen. 42% van de middelbare scholieren zat in het schooljaar 2010/11 in een algemeen leerjaar, goed voor 393.600 leerlingen. Ruim 22% (203.500 leerlingen) volgde vmbo, 16% (151.100 leerlingen) havo en 18% (164.800 leerlingen) vwo. Waar het aantal vmbo-leerlingen in vergelijking met 2000/1 met 8% is gedaald, is het aantal havisten en vwo’ers juist met 29% toegenomen (CBS, 2011; CBS, 2011).

De leerlingengroei zet zich in de toekomst waarschijnlijk door, zij het alleen in het hoger onderwijs. Vanwege de krimp van de bevolking wordt voor het basis- en voortgezet onderwijs een afname verwacht, terwijl het aantal mbo-leerlingen waarschijnlijk zal dalen door een hoger aantal inschrijvingen op het hbo en de universiteit (Trends in beeld, 2011).

Opleidingsniveau

De ontwikkeling dat de Nederlandse bevolking steeds hoger is opgeleid, zal zich dus continueren. Het aantal 15- tot 65-jarigen met een hbo- of wo-diploma steeg van 21% in 2000 naar 28% in 2010. Ook hebben steeds meer mensen een startkwalificatie, dat wil zeggen minimaal mbo-niveau 2, havo of vwo. Dit percentage is toegenomen van 61% in 2000 tot 68% in 2010. Met name vrouwen en tweede generatie allochtonen zijn vaker hoger opgeleid (CBS, 2011).

Het stijgende opleidingsniveau vertaalt zich in de uitgaven aan onderwijs, die fors stijgen. Waar de overheid in 2000 nog 23,1 miljard euro investeerde, is dat in 2010 opgelopen tot 38,9 miljard euro. Een toename van 68%, die afgezet tegen het Bruto Binnenlands Product nog altijd 20% bedraagt. Als percentage van het BBP groeiden de onderwijsuitgaven namelijk van 5,5% in 2000 naar 6,6% in 2010 (CBS, 2011).

Onderwijstijd

Nederlandse kinderen tussen de 9 en 11 jaar brengen meer tijd door op school dan hun leeftijdsgenootjes uit andere landen: 940 uur per jaar, tegen een internationaal gemiddelde van 793 uur per jaar en een EU-gemiddelde van 790 uur per jaar. Ook Nederlandse 12- tot 14-jarige leerlingen zitten met 1000 uur per jaar relatief veel in de schoolbanken. Het internationale gemiddelde is hier 873 uur per jaar, het EU-gemiddelde 865 uur per jaar (OECD, 2011).

Nederlandse 9- tot 11-jarige leerlingen besteden in vergelijking een hoog percentage van hun onderwijstijd aan de zogeheten kernvakken lees- en schrijfvaardigheid en literatuuronderwijs, wiskunde en natuurwetenschappen: 57% tegenover 48% (internationaal) en 47% (EU). Voor alleen lees- en schrijfvaardigheid en literatuuronderwijs wordt in Nederland 32% van de schooltijd gereserveerd, meer dan in elk ander land en ver boven het internationale en EU-gemiddelde van 23% (OECD, 2011).

Internationaal gezien besteden 12- tot 14-jarigen 41% van hun onderwijstijd aan de kernvakken en 16% aan lees- en schrijfvaardigheid en literatuuronderwijs. Deze percentages zijn hetzelfde voor de EU. Voor Nederland ontbreken cijfers voor deze leeftijdsgroep (OECD, 2011).

Tussen 1998 en 2005 is volgens het Cito PPON onderzoek van 2005 de tijd die in groep 6, 7 en 8 van de basisschool aan lezen wordt besteed stabiel gebleven. Dat geldt zowel voor het technisch lezen met gemiddeld ongeveer 1 uur per week als voor begrijpend lezen met gemiddeld ongeveer 1,5 uur per week (Heesters, Van Berkel, Van der Schoot & Hemker, 2007).

Onderwijssysteem

Nederland heeft in vergelijking met andere Europese landen een decentraal georganiseerd onderwijssysteem, waarin scholen in relatief grote vrijheid het curriculum kunnen bepalen (Eurydice, 2011). Er zijn twee momenten waarop de kennis en vaardigheden van leerlingen centraal worden getoetst: aan het eind van de basisschool (de niet verplichte Cito-toets) en aan het eind van de middelbare school (centraal eindexamen).

Om de lees- en rekenprestaties van leerlingen te verbeteren, heeft de Nederlandse overheid in 2010 de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen ingevoerd. Hierin wordt vastgesteld welke kennis en vaardigheden leerlingen moeten beheersen in vier fases van hun schoolloopbaan: aan het eind van de basisschool, aan het eind van het vmbo en mbo 2 en 3, aan het eind van de havo en mbo 4 en aan het eind van het vwo. Voor Nederlandse taal worden er vier onderdelen onderscheiden: mondelinge taalvaardigheid, leesvaardigheid (met een onderscheid tussen zakelijke teksten en fictionele, narratieve (verhalende) en literaire teksten), schrijfvaardigheid en taalbeschouwing en taalverzorging.

Onderwijssysteem en leesvaardigheid

Wat kan een land doen om de leesvaardigheid van leerlingen te verbeteren? Meer geld besteden aan onderwijs helpt, maar tot op zekere hoogte. Vanaf een geïnvesteerd bedrag van 35.000 dollar, ongeveer de helft van wat Nederland uitgeeft per leerling tussen de 6 en 15 jaar, nemen de leesprestaties niet langer evenredig toe. Het heeft volgens het PISA-onderzoek dan meer zin om leerkrachten een beter salaris te bieden, evenals een hogere professionele status. Dat heeft méér effect dan de klassen verkleinen. Ook laten landen met een hogere PISA-score worstelende leerlingen minder vaak een jaar overdoen, van school wisselen of hoofdzakelijk bij evenmin vaardige leerlingen in de klas zitten. Ze geven hen gelijkere kansen (PISA in Focus, 2012).

Leesbevordering op school

85% van de leraren in groep 6, 7 en 8 van de basisschool zegt over een eigen schoolbibliotheek te beschikken. In de meeste gevallen gaat het om een eigen collectie; zo niet dan gaat het om een wisselcollectie van de bibliotheekcentrale. 84% van de leraren laat leerlingen spreekbeurten houden over gelezen boeken, 62% geeft hen (daarnaast) de opdracht om boekverslagen te schrijven (Heesters, Van Berkel, Van der Schoot & Hemker, 2007).

  • print