Mediaconcurrentie
Nederlanders maken op dagelijkse basis drie keer zoveel gebruik van televisie en internet als van het boek. De oorzaak van de dalende leestijd schuilt dan ook in de sterk toegenomen computer- en televisietijd. Een groot deel van de mediatijd wordt multitaskend ingevuld.
Frequentie
De penetratie van internet en televisie onder de Nederlandse bevolking is nagenoeg unaniem. Negen op de tien mensen gebruikt deze media (bijna) elke dag, en rond de 95 procent zelfs minstens één keer per week. Ter vergelijking: het boek wordt door 30 procent op dagelijkse en door ruim de helft op wekelijkse basis gebruikt. Slechts één op de tien mensen leest nooit een boek. Dat duidt erop dat, in vergelijking met andere media, niet zozeer de dekking onder de bevolking lager is, maar juist de frequentie van gebruik (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2012).
Tijdbesteding
De totale mediatijd is al decennialang constant, met zon 19 uur per week. Dat de leestijd daalt, wordt dus veroorzaakt door een stijgend gebruik van andere, concurrerende media. Tussen 1975 en 2000 gingen Nederlanders in hun vrije tijd steeds meer televisiekijken; tussen 1995 en 2005 zijn ze ook meer uren achter de computer gaan doorbrengen. Deze media zorgen ervoor dat ze minder tijd over hebben voor boeken, kranten en tijdschriften (SCP, 2006).
Tussen 2000 en 2005 stabiliseert de leestijd zich enigszins, terwijl de televisietijd daalt en de computertijd verdubbelt. Het computeren gaat in deze periode dus ten koste van het televisie kijken, niet zozeer van het lezen. Ook de televisie begint zo langzamerhand een oud medium te worden (SCP, 2006).
Volgens het SCP gaat van de totale mediatijd 57% naar televisiekijken, 20% naar computeren en 20% naar lezen. In het SPOT tijdsbestedingonderzoek van 2010 blijkt dat van de totale mediatijd 45% naar televisiekijken (SCP, 2005: 57%), 23% naar internetten (SCP, 2005: 20%) en 9% naar lezen (SCP, 2005: 20%) gaat. Dit duidt op een verdere vermindering van de leestijd, tegenover een verdere stijging van de internettijd. Het is wel de vraag in hoeverre de cijfers vergelijkbaar zijn: SPOT meet de mediatijd namelijk zowel in de werk- als in de vrije tijd, het SCP alleen in de vrije tijd.
Nog recentere gegevens wijzen erop dat de internet- en televisietijd vrijwel gelijk zijn: respectievelijk 14,1 en 14,2 uur per week. De tijdsbesteding aan gedrukte media ligt met een wekelijkse 4,3 uur fors lager, aldus het consumentenonderzoek van juli 2011 (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2011).
De computer- of internettijd groeit, in vergelijking met het SCP tijdsbestedingonderzoek, zeer fors (271%), de televisietijd gematigd (31,5%) en de leestijd zeer licht (13%). Dit duidt op een algehele toename van de mediatijd. Maar voorzichtigheid is geboden, omdat de gehanteerde methodes verschillen SCP: dagboek, consumentenonderzoek: enquête en het consumentenonderzoek geen onderscheid maakt tussen de werk- en de vrije tijd. Dat laatste kan dan ook de stijgende mediatijd verklaren, met name het aandeel van de computer- of internettijd: Nederlanders brengen op hun werk steeds meer uren achter de computer door.
Multitasken
SPOT heeft berekend dat Nederlanders circa drietiende van hun totale mediatijd multitaskend doorbrengen. Bij lezen gaat het zelfs om tweederde van de tijd, tegenover televisiekijken eenderde van de tijd. Jongeren lezen minder vaak multitaskend dan ouderen: voor 6-12 jarigen ligt dit op 25 procent, voor 13-19 jarigen op 30 procent, voor 20-65 jarigen op 45 procent van de leestijd (SPOT, 2010).
Volgens het consumentenonderzoek van juli 2011 maakt een kleine driekwart van de volwassen Nederlandse boekenlezers tijdens het lezen wel eens gebruik van andere media. 58 procent luistert tegelijkertijd wel eens naar de radio, 39 procent kijkt wel eens naar de televisie en 22 procent surft wel eens op internet. Meer dan de helft van deze multitaskende lezers leest zelfs zeer regelmatig of vrijwel altijd in combinatie met andere media (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2011).



