Wie gebruiken media?
Het leespubliek bestaat uit vrouwen en oudere mensen, de computer is juist in trek onder mannen en de jongere generaties. Hoger opgeleiden maken vaker gebruik van de oude én nieuwe media.
Hoe ouder Nederlanders zijn, hoe meer tijd ze in 2005 besteden aan het lezen van gedrukte media en aan televisie kijken. En hoe jonger ze zijn, hoe meer tijd ze achter de computer doorbrengen. Ouderen blijven dus langer vasthouden aan de oude mediatechnologieën, terwijl de nieuwe sneller door jongeren worden omarmd (SCP, 2006).
Naast het generationele is er ook een sekseverschil. Mannen brengen in 2005 ongeveer twee keer zoveel uren door achter de computer. Vrouwen trekken juist een kwart meer tijd uit voor gedrukte media. Voor alleen boeken is het geslachtsverschil nog groter: vrouwen maken hier, met 1,7 uur per week, bijna twee keer zoveel tijd voor vrij als mannen, met 0,9 uur per week. Hetzelfde geldt voor fictieve boeken, met respectievelijk 1,4 uur per week tegenover 0,7 uur per week. Mannen tonen meer interesse in nieuwe mediatechnologieën, vrouwen juist in de oude (SCP, 2006).
Opleiding
Voor het opleidingsniveau gaan de verschillen voor boeken en internet hand in hand. Niet alleen lezen hoger opgeleiden vaker boeken, ze maken ook frequenter gebruik van het internet. Waar de meeste hoger opgeleiden op dagelijkse basis internetten, doen midden opgeleiden dit minstens één keer per week en lager opgeleiden nóg minder vaak. Ook het radiogebruik stijgt al naar gelang het opleidingsniveau. Alleen voor televisiekijken is er helemaal geen verschil. Over het algemeen maken hoger opgeleiden dus vaker gebruik van de oude én de nieuwe media (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2012).



