Invloed leesopvoeding

Kinderen van ouders die veel lezen, voorlezen en een rijk gevulde boekenkast hebben, lezen zelf meer, zijn leesvaardiger en schoppen het verder in het onderwijs.

Leesgedrag

Kinderen spiegelen zich aan het leesgedrag van hun ouders. Behalve het voorbeeld dat ze thuis krijgen, heeft ook de directe leesbegeleiding invloed. Ouders die voorlezen en discussiėren over boeken, stimuleren blijvend het leesplezier van hun kinderen. Deze lezen daardoor op volwassen leeftijd zowel meer Nederlandstalige en vertaalde literatuur als detectives en romantische fictie (Notten, 2011).

Voorlezen maakt al in de puberteit een verschil, zo blijkt uit Duits onderzoek. 10- tot 19-jarigen die vroeger zijn voorgelezen, vinden lezen leuker, waarbij de kloof met niet-voorgelezenen voor jongens groter is dan voor meisjes. Daarnaast lezen voorgelezen kinderen vaker en lopen ze een minder diepe leesdip op in hun adolescentie (Stiftung Lesen, 2011).

Schoolloopbaan

De leesopvoeding werkt ook door in de onderwijsprestaties. Kinderen uit gezinnen waar veel wordt gelezen, met name Nederlandstalige en vertaalde literatuur, doen het beter in hun hele schoolloopbaan. Het positieve effect op het opleidingsniveau is nog sterker als ze ook directe begeleiding hebben gekregen, in de vorm van voorlezen en discussies over boeken (Notten, 2011). Een ouderlijk voorbeeld van lezen blijkt voor de onderwijsprestaties belangrijker dan museum- of theaterbezoeken (De Graaf, De Graaf & Kraaykamp, 2000).

Leesvaardigheid

Kinderen profiteren voor hun leesprestaties ook van een goede leesopvoeding. 15-jarigen die in de eerste jaren van de basisschool vaak boeken hebben (voor)gelezen met hun ouders, scoren gemiddeld 25 punten hoger in PISA dan leeftijdsgenootjes die dat onregelmatig of helemaal niet deden. Dit verschil is gelijk aan een half jaar leesonderwijs. Behalve boeken (voor)lezen helpt ook het vertellen van verhalen en het voeren van gesprekken over de dag, al is het effect daarvan kleiner. Overigens is dit PISA-onderdeel in veertien landen onderzocht, waar Nederland niet bijhoort (PISA in Focus, 2011).

Opleiding ouders

Het zijn vooral hoger opgeleide ouders die een goede leesopvoeding geven. Zij lezen zowel vaker Nederlandstalige en vertaalde literatuur (serieus leesvoorbeeld) als detectives en romantische fictie (populair leesvoorbeeld), al is het verschil ten opzichte van lager opgeleiden in het laatste geval kleiner. Behalve aan het geven van het goede leesvoorbeeld, besteden hoger opgeleide ouders ook meer tijd aan directe leesbegeleiding (Notten, 2011).

Het opleidingsniveau hangt ook samen met de breedte en gevarieerdheid van het taalaanbod. Amerikaanse kinderen van hoger opgeleide ouders horen per uur gemiddeld 2.153 woorden, van middelbaar opgeleide ouders 1.251 woorden en van lager opgeleide ouders 616 woorden. Als gevolg daarvan, kent de eerste groep op 3-jarige leeftijd 1.100 woorden, de tweede 750 woorden en de derde groep net iets meer dan 500 woorden (Hart & Risley, 1995).

Het opleidingsniveau heeft invloed op drie verschillende aspecten van de taal- en leesopvoeding. Dat zijn het ondernemen van literaire activiteiten, zoals voorlezen, de kwaliteit van de talige interactie tussen ouder en kind, en de beschikbaarheid van leermaterialen, zoals kinderboeken die bij de leeftijd passen. Hoe hoger hun opleidingsniveau, hoe meer aandacht ouders hieraan schenken. Op hun beurt bepalen deze drie aspecten weer de taalontwikkeling van kinderen. Samen verklaren ze 10% van de verschillen in begrip en woordenschat op een leeftijd van 14 maanden, 17% van 24 maanden en 20% van 36 maanden (Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Boekenbezit

Een geletterd thuisklimaat is in Nederland van extra groot belang. Des te verder een land zich cultureel, technologisch en economisch heeft ontwikkeld, des te belangrijker is de aanwezigheid van boeken in huis. Juist in deze groep landen presteren de kinderen van ouders met een rijk gevulde boekenkast beter op school (Notten, 2011).

In Nederland heeft slechts 2% van de bevolking geen enkel boek in huis. 35% bezit tussen de 1 en 50 boeken, 22% tussen de 51 en 100 boeken en 37% zelfs meer dan 100 boeken (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2011). Boeken zijn het beste vertegenwoordigd in de slaapkamers van jonge kinderen. 80% van de 0- tot 3-jarigen en 92% van de 4- tot 7-jarigen heeft ze daar binnen handbereik. Het aantal kinderen dat op de slaapkamer een televisie (0-3: 2%; 4-7: 17%), spelcomputer (0-3: 1%; 4-7: 16%), iPad (0-3: 0%; 4-7: 1%) en andere media heeft, ligt veel lager (Stichting Mijn Kind Online & Mediawijzer, 2012).

Nederlanders zijn optimistisch over het aantal boeken in hun kast dat ze daadwerkelijk hebben gelezen. Driekwart komt op een schatting van ruim 30%, de helft op ruim 70% en bijna een kwart zelfs op ruim 90% (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/Intomart GfK, 2011).

  • print