Leesprestatie kinderen
De leesprestaties van Nederlandse scholieren zijn stabiel. Wel liggen de prestaties onder de beoogde ambities.
Internationaal onderzoek
Nederlandse 15-jarigen zijn niet slechter begrijpend gaan lezen, maar ze verliezen wel terrein ten opzichte van leeftijdsgenootjes in andere landen. De resultaten van het internationale leesvaardigheidsonderzoek PISA zijn stabiel: 513 punten in 2003, 507 in 2006 en 508 in 2009. Hiermee scoort Nederland ruim boven het internationale gemiddelde van 494 punten onder de 65 deelnemende landen in 2009, een verschil dat door de jaren heen eveneens vrijwel gelijk is gebleven. Nederland is nog altijd het tweede EU-land op de ranglijst, maar raakt verder achterop bij de Aziatische en de Oceanische landen, die erin slagen hun prestaties te verbeteren (Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010).
Nederlandse 15-jarigen behalen de beste prestaties op het PISA-onderdeel selecteren, opzoeken en verzamelen van informatie. Hierop scoren ze 519 punten (goed voor een achtste plaats), een gemiddelde dat voor het verwerken van het gelezene om er betekenis aan te geven op 504 punten ligt (tiende) en voor het leggen van verbanden tussen de tekst en eigen kennis en ervaringen op 510 punten (elfde). Naarmate de complexiteit van de taak stijgt, presteren Nederlandse leerlingen dus relatief minder goed (De Meyer & Warlop, 2010).
Nederlandse 10-jarigen zijn slechter begrijpend gaan lezen. Ook verliezen ze terrein ten opzichte van hun leeftijdsgenootjes in veertig andere landen. In het internationale leesvaardigheidsonderzoek PIRLS daalde de gemiddelde score van 554 punten in 2001 naar 547 punten in 2006. Een significante verslechtering, waarmee Nederland zich in het gezelschap bevindt van zes andere landen, waaronder Zweden, Engeland en Roemeniė (Mullis, O. Martin, Kennedy & Foy, 2007).
Net als in PISA presteren Nederlandse leerlingen in PIRLS minder goed op de complexere leestaken. Hun score voor het onderdeel informatie verwerken en het maken van inferenties daalde van 556 punten in 2001 naar 551 punten in 2006 en voor het interpreteren, integreren en evalueren van informatie van 552 naar 542 punten. Alleen het verschil voor deze complexere taak is significant (Mullis, O. Martin, Kennedy & Foy, 2007).
In zowel de wereldwijde PISA- als de PIRLS-ranglijst staat Nederland op de tiende plaats. De Nederlandse overheid streeft naar een positie bij de eerste vijf.
Nationaal onderzoek
Nederlandse groep 8-leerlingen zijn beter gaan presteren op leesvaardigheid, zo blijkt uit het jaarlijkse CITO PPON onderzoek. De scores voor de drie talige onderdelen woordenschat, spelling en begrijpend lezen zijn in 2010 significant gestegen ten opzichte van 2009. Groep 4-leerlingen doen het eveneens beter op alle onderdelen, maar hier zijn geen significante verschillen gevonden (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011).
De leesprestaties van Nederlandse basisschoolleerlingen liggen onder het vereiste niveau, getuige de meeste onderdelen in het Cito PPON onderzoek van 2005. In groep 8 haalt alleen voor het begrijpen van geschreven teksten het beoogde percentage leerlingen de standaard Voldoende. Voor het interpreteren slaagt de helft van de leerlingen hierin, tegen een streefcijfer van 70 ą 75%; voor woordenschat 60%, tegen een streefcijfer van 70 ą 75%. Ten opzichte van de vorige meting in 1998 is er geen sprake van een significante vooruitgang of een verslechtering (Heesters, Van Berkel, Van der Schoot & Hemker, 2007).
Halverwege de basisschool, in groep 5, behaalt 33% van de leerlingen de standaard Voldoende voor het begrijpen van teksten, 60% voor het interpreteren en 65% voor woordenschat, tegen een beoogd percentage van 70 ą 75% (Van Berkel, Krom, Heesters, Van der Schoot & Hemker, 2007).
Ook op technisch lezen presteren Nederlandse basisschoolleerlingen onder de maat. Een kwart verlaat de basisschool met het vaardigheidsniveau van een groep 6 leerling, aldus het Onderwijsverslag 2007/2008 (Onderwijsinspectie, 2009). Deze achterstand wordt in de schooljaren ervoor opgelopen. Aan het eind van groep 3 heeft ongeveer een op de zeven leerlingen een onvoldoende technische leesvaardigheid, aan het eind van groep 4 gaat het om ongeveer een op de drie (Vernooy, 2009).
De vroege leesprestaties hebben een voorspellende waarde voor latere leeftijd. De taalvaardigheid en beginnende geletterdheid van kinderen aan het eind van groep 1, geven een goede prognose voor hoe ze het in groep 3 doen op aanvankelijk lezen (Stoep, 2008). Leerlingen die op de basisschool een onvoldoende leesvaardigheid hebben behaald, slagen er niet in die achterstand in het voortgezet onderwijs te overbruggen tenzij ze daarvoor speciale lesstof krijgen (Mijs & Vernooy, 2010).



