Ontwikkelingsstadia
Als kleuters zich identificeren met een verhaalpersonage, hebben ze vaak vergelijkbare gebeurtenissen meegemaakt. Pubers vinden de hoofdpersoon meestal sympathiek. Het aanleren van metaforisch taalgebruik gebeurt in vier fasen. Hoe ouder kinderen worden, hoe groter hun literaire competentie.
Identificatie
Kleuters die worden voorgelezen, geven in hun reacties blijk van emotionele betrokkenheid bij het verhaal. Ze vergelijken de handelingen en de gevoelens van de personages met die van henzelf. Terwijl hun reacties op karakters die vergelijkbare gebeurtenissen meemaken positief zijn, reageren ze juist afwijzend op ervaringen die ze zelf (nog) niet hebben meegemaakt. De vaardigheid tot identificatie wordt op de kleuterleeftijd dus beheerst voor zover het verhaal aansluit op de eigen belevingswereld (Ghonem-Woets, 2010).
Als vmbo-leerlingen zich emotioneel betrokken voelen bij een personage, dan vinden ze hem of haar meestal sympathiek. Ze hebben in dat geval ook meer begrip voor de manier waarop het personage zich gedraagt, geven het verhaal een hogere waardering en beleven meer plezier aan het lezen (Guldemond, 2003).
Het maakt voor het identificatieproces van vmbo-leerlingen niet uit of een verhaalboek vanuit de ik-persoon of vanuit het personele perspectief is geschreven. Wel bestaat er een verschil tussen de seksen. Meisjes zijn beter in staat zich te identificeren, ook met een mannelijke hoofdpersoon. Verder hebben ze over het algemeen een positiever beeld van de karakters, en zijn hun waardering voor en hun begrip van het verhaal ook hoger (Schram, 2007).
Metaforen
Kinderen doorlopen een viertal ontwikkelingsstadia in het zich eigen maken van metaforisch taalgebruik. Ze gebruiken zelf veel metaforen vanaf het moment dat ze beginnen te praten. Hun vocabulaire is in deze fase nog beperkt, en dus worden ze gedwongen woorden in meerdere betekenissen te gebruiken. Dit verandert tijdens de eerste jaren van de basisschool: dan komt de nadruk te liggen op het leren van de letterlijke betekenis van woorden en zinnen. Dat staat op gespannen voet met metaforisch taalgebruik. Als ze vervolgens de puberleeftijd bereiken, beheersen kinderen een groot aantal regels en betekenissen, waardoor ze weer de mogelijkheid hebben er op creatieve wijze vanaf te wijken. Als gevolg daarvan neemt het metafoorgebruik weer toe. Dat zet zich door als ze volwassen zijn en de cognitieve en linguïstische capaciteiten bezitten om metaforisch taalgebruik zeer precies te interpreteren én te hanteren (Ghonem-Woets, 2010).
Stijgende literaire competentie
De literaire competentie groeit met de jaren. Kinderen worden steeds beter in staat om uit te leggen of een boek tot het verhalende of informatieve genre behoort, en waarom het hen moeilijker of makkelijker valt om zelf een bepaalde tekstsoort te schrijven. De literaire teksten die ze zelf schrijven, worden qua plotstructuur en verhaalhandelingen steeds complexer. Hun begrip van literaire teksten die ze lezen wordt steeds verfijnder (Ghonem-Woets, 2010).



