Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Aanleg en opvoeding

-> De genetische aanleg en de omgeving oefenen beide invloed uit op de leesontwikkeling van kinderen.

-> Een stimulerende leesomgeving zorgt ervoor dat de genetische aanleg tot wasdom komt.

Leesvaardigheid: grotendeels een kwestie van genen

Het ene kind is van nature beter toegerust om goed te leren lezen dan het andere. Leesvaardigheid is niet alleen een kwestie van opvoeding en onderwijs, maar hangt ook samen met onze genen. Zo vertonen eeneiige tweelingen een sterkere overeenkomst in leesvaardigheid dan twee-eiige tweelingen of broers en zussen die geen tweeling zijn. Eeneiige tweelingen hebben de meeste genetische eigenschappen gemeen (Swagerman et al., 2015).

De invloed van genetische aanleg bij het leren lezen blijkt substantieel. Verschillen in de genen kunnen tot ongeveer 66% van de verschillen in leesvaardigheid tussen kinderen verklaren; voor de omgeving gaat het om 34% (Davis et al., 2014). Kinderen van leesvaardige ouders hebben over het algemeen een sterkere genetische aanleg om zelf leesvaardig te worden. Door de genetische aanleg valt zelfs een deel van de invloed van omgevingsfactoren weg. Leesvaardige ouders die hun kinderen goede ‘leesgenen’ doorgeven, bieden vaak ook een stimulerende leesopvoeding (Van Bergen et al., 2017).

Aanleg komt tot wasdom dankzij opvoeding

Dat betekent niet dat de leesvaardigheid van kinderen bij de geboorte vastligt. Een genetische aanleg voor lezen kan zich uitsluitend uitbetalen als een kind met boeken in aanraking komt en de kans krijgt om te oefenen met lezen. Er bestaan aanzienlijke verschillen in leesvaardigheid tussen kinderen uit verschillende landen en verschillende sociale omgevingen. Uit ander onderzoek blijkt dat ruim 91% van de verschillen in leesmoeilijkheden die kinderen ondervinden zich laten verklaren door ecologische factoren, zoals het land en het type gezin, en minder dan 9% door eigenschappen van het kind zelf (Chiu, McBride-Chang & Lin, 2012).

Ouders, docenten en bibliothecarissen kunnen in de leessocialisatie al met al een stimulerende rol spelen, ondanks de genetische (lees)verschillen die er tussen kinderen bestaan.