Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Aard literatuuronderwijs

-> Het leesgedrag van middelbare scholieren wordt sterker gestuurd door het literatuuronderwijs dan door de leesopvoeding van hun ouders.

-> De leesbeleving van vwo-leerlingen is positiever als ze voor zichzelf lezen dan voor school.

-> Docenten die in het literatuuronderwijs inzetten op positieve leeservaringen, stimuleren het leesplezier en het leesgedrag van leerlingen - ook op de lange termijn.

Het literatuuronderwijs beïnvloedt het leesgedrag van leerlingen

Het literatuuronderwijs beïnvloedt het leesgedrag van leerlingen
De leesopvoeding van ouders en docenten houdt verband met het leesgedrag van pubers en jongvolwassenen tot 23 jaar. Docenten sorteren in deze levensfase een sterkere invloed. Dat komt waarschijnlijk doordat leerlingen veel fictie moeten lezen voor school. Dat is met name het geval op de havo en het vwo, waar leerlingen dan ook vaker fictie lezen dan op het vmbo. Alle middelbare leerlingen profiteren in dezelfde mate van het lees- en literatuuronderwijs. Het leesgedrag van kinderen met een veel of weinig stimulerend literair thuisklimaat gaat even sterk vooruit (Nagel & Verboord, 2012).

Leesbeleving het prettigst bij lezen voor het plezier

Vrijwillig lezen wordt positiever beleefd dan verplicht lezen. Leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo lezen liever fictie voor hun plezier in de vrije tijd dan voor school. Ze kunnen zich dan beter ontspannen, meer genieten van de spanning van het plot, intenser meeleven met de personages en een levendiger voorstelling van het verhaal maken. Voor meisjes gaat dit sterker op dan voor jongens. Als het literatuuronderwijs probeert in te haken op deze ervaringen, is er een kans dat het verplichte lezen even aangenaam uitpakt (Schram, 2007).

Leerlinggerichte benadering positief voor leesplezier en leesgedrag

De waardering van leerlingen voor het literatuuronderwijs lijkt in de loop der jaren gestegen. In de jaren 80 heeft ruim tweederde een hekel aan het lezen van literatuur voor school. Er is in die tijd sprake van een lijst met veel verplichte boeken. In de jaren 90 zijn leerlingen positiever, maar vooral als de boekkeuze enigszins vrij is en docenten tevens aandacht hebben voor het leesplezier. In de jaren 00 krijgen leerlingen boekadviezen op maat, en kunnen ze in hun leesdossier hun persoonlijke beleving en literaire smaak onder woorden brengen. 87% verlaat de middelbare school met een positieve leesattitude en 33% is enthousiast over het lezen van literatuur. Een kanttekening bij deze uitkomsten is de beperkte vergelijkbaarheid van de verschillende onderzoeken en de beperkte representativiteit van de onderzoeksgroep (Witte, Rijlaarsdam & Schram, 2008).

Een leerlinggerichte benadering in het literatuuronderwijs lijkt dus positiever uit te pakken voor het leesplezier dan een canongerichte benadering. Andere onderzoeken laten vergelijkbare uitkomsten zien. Literatuuronderwijs dat zich richt op de identificatie met de personages stimuleert het leesplezier. Vwo-leerlingen hebben een positievere waardering voor het verhaal als ze dat identificerend lezen. Ze leven dan meer mee met de personages en voelen meer sympathie voor hen. Er is, in vergelijking met een literatuurmethode gericht op de betekenis van het verhaal, overigens geen verschil in tekstbegrip (Schram & Geljon, 1990).

Het literatuuronderwijs kan tevens bijdragen aan zelfinzicht en sociaal inzicht. Havo- en vwo-leerlingen geven in leesverslagen aan dat ze over zichzelf en anderen leren dankzij de boeken die ze lezen voor school. Een leerlinggerichte benadering lijkt het zelfinzicht en sociale inzicht te vergroten. Als leerlingen les krijgen van een docent die inzet op persoonlijke leeservaringen, zeggen ze meer over zichzelf en anderen te leren dan wanneer ze in een analytisch-interpretatieve, canongerichte klas zitten (Schrijvers, Janssen & Rijlaarsdam, 2016).

De aard van het literatuuronderwijs werkt, via het leesplezier, gunstig door op het leesgedrag. Dat is ook op lange termijn het geval. Middelbare scholieren in een leerlinggerichte klas lezen op volwassen leeftijd een groter aantal literaire boeken dan generatiegenoten in een canongerichte klas. Een leeslijst met verplichte boeken doet het leesgedrag afnemen: elke vijf boeken meer leidt tot twee procent minder lezen. Aandacht voor het leesplezier en de leeservaring pakt dus gunstig uit voor het vrijetijdslezen (Verboord, 2002).

Er zijn verschillende vormen van leerlinggericht literatuuronderwijs. Docenten kunnen leerlingen keuzevrijheid geven in te lezen boeken voor school, teksten aanbieden die aansluiten op hun belevingswereld, een belevende en inlevende manier van lezen stimuleren en hen laten discussiëren over gelezen teksten (Schrijvers, Janssen & Rijlaarsdam, 2016).

In het basisonderwijs kunnen docenten positieve feedback geven, zodat leerlingen meer vertrouwen krijgen in hun eigen leesvaardigheid. Daarnaast kunnen ze leerlingen informeren over het actuele boekenaanbod en met hen praten en discussiëren over (gelezen) boeken. Docenten die zelf vaker fictie lezen, besteden meer aandacht aan dergelijke motiverende werkvormen. Dat is ook het geval als ze de vakliteratuur beter bijhouden (Smits & Van Koeven, 2013).