Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Leesvaardigheid stimuleren

-> Een positieve leesattitude gaat hand in hand met een goede leesvaardigheid. Dat geldt vooral voor meisjes.

-> Een minimale tijdsbesteding aan lezen helpt al om de leesprestaties te verbeteren.

-> Andere factoren die de leesvaardigheid gunstig beïnvloeden, zijn het lezen van verschillende tekstsoorten – maar met name fictie – en kennis van leesstrategieën.

-> Ook om te leren rekenen, zijn talige competenties nodig.

Leesplezier hangt samen met leesvaardigheid

Wie lezen leuk vindt, is over het algemeen ook leesvaardiger. Een positieve houding tegenover het lezen verklaart in Nederland 17% van de verschillen in leesvaardigheid, tegen 18% internationaal. 15-jarigen met het meeste plezier in lezen, scoren gemiddeld anderhalf PISA-niveau hoger dan leerlingen met het minste plezier in lezen (Gille et al., 2010).

Ook onder 10-jarigen bestaat er een positief verband tussen de leesattitude en de leesvaardigheid. Basisscholieren die lezen leuk vinden zijn met 569 punten in PIRLS zeer vaardige lezers, terwijl kinderen die lezen enigszins leuk vinden met 548 punten nagenoeg op het Nederlandse gemiddelde zitten. Leerlingen die lezen niet leuk vinden scoren daar met 526 punten ver onder (Mullis et al., 2012). Binnenlands onderzoek onder basisscholieren vindt vergelijkbare verschillen (Cito, 2014).

Jongens en meisjes verschillen in het effect van de leesattitude op de leesvaardigheid. 15-jarige meisjes die plezier hebben in lezen, profiteren daarvan sterker dan jongens (Gille et al., 2010).

Het verband tussen attitude en vaardigheid is er niet voor rekenen. Terwijl het voor de leesprestaties van basisscholieren dus helpt om lezen leuk te vinden, is dat bij rekenen niet het geval (Netten, 2014).

Leesgedrag hangt samen met leesvaardigheid

Wie vaak voor het plezier in de vrije tijd leest, is over het algemeen ook leesvaardiger. Uit PISA komt een sterk verband naar voren tussen het leesgedrag en de leesvaardigheid. 15-jarige niet-lezers presteren met 478 punten zwaar onder het Nederlands gemiddelde van 508 punten. De lezers presteren veel beter. Hoeveel tijd jongeren besteden aan het lezen, doet er minder toe. Het verschil in prestatie tussen 15-jarigen die ongeveer een half uur per dag en één uur tot ruim twee uur lezen is gering. Een minimale vrijetijdsbesteding aan lezen hangt dus al positief samen met de leesvaardigheid (OECD, 2011).

Hetzelfde is het geval in groep 5 van de basisschool. Kinderen die dagelijks 10 minuten lezen, boeken al betere prestaties op begrijpend lezen dan niet-lezers. Ook het wekelijks uitlezen van één boek helpt de leesvaardigheid vooruit. Langer lezen dan 10 minuten of wekelijks meerdere boeken uitlezen leidt niet tot nog betere prestaties. Het maakt dus vooral verschil òf kinderen lezen in hun vrije tijd (Cito, 2014).

Leesvaardigheid naar leestijd groep 5

In gemiddelde scores

Het effect van lezen in de vrije tijd werkt door tot op latere leeftijd. Dat blijkt uit cohortonderzoek waarin de generatie die is geboren in 1970 wordt gevolgd. Kinderen die op 10-jarige leeftijd regelmatig een boek of krant lezen, presteren op 16-jarige leeftijd beter op woordenschat, spelling en rekenen. Het leesgedrag beïnvloedt de cognitieve prestaties sterker dan het opleidingsniveau van de ouders (Sullivan & Brown, 2013).

Diversiteit in tekstsoorten hangt samen met leesvaardigheid

Wie veel verschillende tekstsoorten leest, is leesvaardiger. Het lezen van een brede waaier aan teksten – van verhaalboeken tot krant- en tijdschriftartikelen – verklaart volgens PISA 13% van de verschillen in leesprestaties (Gille et al., 2010). Nederlandse 15-jarigen scoren laag op de diversiteitsschaal, wat betekent dat hun leesdieet relatief weinig variatie kent (Cito, 2012).

Het lezen van fictie heeft het gunstigste effect op de leesvaardigheid. Dat geldt zowel voor kinderen uit Nederland als voor kinderen uit andere PISA-landen. In vergelijking met buitenlandse leeftijdsgenootjes hebben Nederlandse 15-jarigen voor hun leesprestaties evenwel meer baat bij het lezen van non-fictie, tijdschriften en kranten (OECD, 2011).

Diversiteit in leesstrategieën hangt samen met leesvaardigheid

Wie veel verschillende leesstrategieën beheerst, is over het algemeen leesvaardiger. De bekendheid van 15-jarigen met tactieken om informatie te begrijpen, te herinneren, samen te vatten en in verband te brengen met hun eigen kennis verklaart 20% van de verschillen in leesprestaties (Gille et al., 2010). Nederlandse 15-jarigen scoren laag op de strategieschaal. Dat betekent dat ze zich relatief weinig bewust zijn van effectieve leesstrategieën (PISA in Focus, 2013).

Leesvaardigheid werkt door in andere vaardigheden

Talige competenties zijn ook nodig om te leren rekenen. Te denken valt aan fonologisch bewustzijn en grammaticale kennis. Leerlingen uit groep 1 tot en met 4 met een taalachterstand, lopen daarom vaak ook achter met rekenen. Hun ouders besteden bovendien minder tijd aan geletterd- en gecijferdheidoefeningen dan ouders van kinderen met een normale taalontwikkeling (Kleemans, 2013).

Volwassen Nederlanders met een beperkte leesvaardigheid hebben vaak ook achterstanden in andere competenties. Zo presteert drie kwart van de laaggeletterden tevens op het allerlaagste niveau voor rekenen en probleemoplossend vermogen (Buisman & Houtkoop, 2014).