Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Lezen in het gezin

-> Bijna de helft van de Nederlanders is actief als leesopvoeder. Zij vervullen die rol met name voor kinderen tussen de 2 en 12 jaar.

-> Nederlanders hebben gemiddeld ruim 100 boeken in hun bezit. Hoger opgeleiden hebben meer boeken in huis dan lager opgeleiden.

-> Leesopvoeders zijn met name vrouwen en, binnen de familie, moeders en grootmoeders. Zij beleven meer plezier aan het lezen en voorlezen met kinderen, hebben een groter vertrouwen in hun eigen kunnen en werden als kind zelf vaker voorgelezen.

-> Als kinderen ouder worden, gaan hun ouders minder aandacht besteden aan de leesopvoeding.

Leesopvoeding richt zich vooral op 2- tot 12-jarigen

47% van de Nederlanders geeft wel eens invulling aan een opvoedende taak rondom (voor)lezen. Dat gebeurt meestal vanuit een informele sociale rol, zoals ouder met kind, grootouder met kleinkind of broer/zus met broer/zus. Met name vrouwen zijn actief als leesopvoeder. Zij voeren ook een groter aantal verschillende soorten leesactiviteiten uit. De leesopvoeding is het meest intensief bij kinderen tussen de 2 en 12 jaar. Bij tieners loopt de mate van activiteit terug (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2013.3; Stichting Lezen, 2014).

De populairste leesactiviteiten zijn voorlezen uit een boek, praten over een boek en een boek cadeau geven. Ruim zeven op de tien leesopvoeders doet dit weleens samen met kinderen. Zes op de tien leesopvoeders geeft tips voor boeken om te lezen, geeft het goede voorbeeld door zelf te lezen en/of leest samen (stil) in een boek. Ruim de helft van de leesopvoeders gaat weleens samen naar de boekhandel of de bibliotheek (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2013.3; Stichting Lezen, 2014).

Nederlander bezit meer dan 100 boeken

Boeken in huis zijn een middel om bij kinderen het lezen te stimuleren. Nederlanders hebben gemiddeld 88 boeken voor volwassenen en 22 boeken voor kinderen in huis. 6% van de bevolking bezit geen boeken voor volwassenen en een kwart van de bevolking geen kinderboeken. Hoger opgeleiden hebben meer boeken in huis dan lager opgeleiden en midden opgeleiden (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3). Zij besteden over het algemeen ook meer aandacht aan de leesopvoeding.

Boekenbezit

In procenten van de Nederlandse bevolking

* Gemiddelde is berekend op basis van het klassenminimum: voor 1-20 boeken: 1; voor 21-50: 21; voor 51-100: 51; etcetera.

Boeken zijn, van alle media, het sterkst vertegenwoordigd in de slaapkamers van jonge kinderen. 81% van de 0- tot 6- jarigen beschikt daar over (voorlees)boekjes, 41% over tijdschriften en/of stripboeken en 15% over een e-reader. Digitale schermmedia zijn minder prominent aanwezig op de kinderkamer. 25% van de 0- tot 6- jarigen heeft daar een kindertablet, 11% een gewone tablet. 13% beschikt over een televisie, 11% over een handheld spelcomputer en 8% over een smartphone (Mediawijzer & The Choice, 2017).

Moeders en vaders

Moeders spelen in vrijwel alle aspecten van de leesopvoeding de eerste viool. Zij geven het meest prominent het 'goede' voorbeeld. Ze lezen vaker zelf in het bijzijn van hun kroost. Terwijl 37% van de moeders dat met grote regelmaat doet, geldt dit voor 26% van de vaders (Stichting Lezen, 2015).

Vaders en moeders verschillen ook in de frequentie waarmee ze samen met hun kinderen leesactiviteiten ondernemen. Zo lezen moeders vaker voor aan hun kinderen in alle leeftijden. Daarnaast praten zij vaker met hun kinderen over boeken. Terwijl 61% van de moeders dit minstens een keer per week doet, geldt dat voor 53% van de vaders (Stichting Lezen, 2015). Vaders geven hun kinderen bovendien minder vaak boekentips, stimuleren minder vaak het lezen tijdens de vakanties, geven minder vaak boeken cadeau en bezoeken minder vaak gezamenlijk de boekhandel en de openbare bibliotheek (Stichting Lezen, 2014).

Deze verschillen zijn minder verwonderlijk dan ze lijken. Een bekend spreekwoord luidt: 'Jong geleerd is oud gedaan.' Dat gaat ook op voor het lezen, maar voor veel vaders in omgekeerde zin: 'Niet jong geleerd is niet oud gedaan.' Vaders kregen in hun eigen jeugd namelijk óók minder leesbegeleiding dan moeders. Ze zijn minder vaak voorgelezen door hun ouders, er werd minder vaak in hun bijzijn gelezen en minder vaak met hen over boeken gepraat. Tevens gingen hun ouders minder vaak met hen naar de boekhandel en de bibliotheek om samen boeken uit te zoeken (Stichting Lezen, 2015).

Intergenerationele overdracht is niet de enige verklaring. Vaders hebben ook een minder positieve houding tegenover de leesopvoeding dan moeders. Ze beleven er minder plezier aan om hun kinderen (voor) te lezen, met hen te praten over boeken en samen met hen naar de bibliotheek en de boekhandel te gaan. Daarnaast onderschrijven vaders minder de waarde van het lezen van boeken voor de ontwikkeling van hun kind. Vaders rekenen lezen minder vaak dan moeders tot de belangrijkste opvoedingsactiviteiten (in een lijst met onder meer buiten spelen, met speelgoed spelen, televisie kijken, internetten en cultuurbezoek). Bovendien hebben vaders er minder vertrouwen in dat ze het leesgedrag van hun kinderen kunnen beïnvloeden, en vinden ze de leesopvoeding, in vergelijking met moeders, meer een taak van instanties zoals de school (Stichting Lezen, 2015).

Tot slot spelen opvattingen over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen in de opvoeding een rol. Hoewel twee op de drie ouders de leesopvoeding als een gedeelde verantwoordelijkheid beschouwt, geeft een derde van de moeders en een vijfde van de vaders aan het hoofdzakelijk een taak van de moeder te vinden. De vaders die de leesopvoeding als het moederlijk domein beschouwen, besteden er ook minder aandacht aan. Ze lezen hun kinderen beiden minder vaak voor, praten minder vaak met hen over boeken en gaan minder vaak met hen naar de bibliotheek en de boekhandel (Stichting Lezen, 2015).

Meertalige ouders

Kinderen die van huis uit een vreemde taal spreken en Nederlands als tweede taal leren, hebben een minder gunstig leesklimaat. Hun ouders hebben minder boeken in huis en minder vaak een abonnement op de krant (Netten, 2014).

Grootouders

Naast ouders spelen ook grootouders een rol in de leesopvoeding. De meeste grootouders met 0- tot 12-jarige kleinkinderen hechten daar ook veel belang aan. Bijna drie kwart leest weleens voor aan hun kleinkind. Daarnaast voeren grootouders regelmatig boekgesprekken of zijn zij een leesvoorbeeld. 24% van de grootouders praat minstens één keer per maand met hun 0-12 jarige kleinkind over boeken, 22% leest minstens één keer per maand zelf een boek in hun bijzijn. Tot slot kopen grootouders regelmatig boeken voor hun kleinkinderen - gemiddeld drie boeken per jaar. Verjaardagen, Sinterklaas en Kerst zijn de belangrijkste geschenkmomenten. Bibliotheek- en boekhandelbezoek door grootouders met kleinkinderen komt niet vaak voor: acht op de tien grootouders geeft aan dit nooit te doen (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.2).

Grootmoeders en grootvaders

Net als tussen ouders bestaan er ook tussen grootouders verschillen in de leesopvoeding. Terwijl vier op de tien grootmoeders vaak of (bijna) altijd voorleest als zij hun 0- tot 12-jarige kleinkind zien, doet van de grootvaders twee op de tien dit. Ook de houding van grootouders tegenover de leesopvoeding verschilt. Grootvaders geloven minder sterk dan grootmoeders dat het ondernemen van gezamenlijke leesactiviteiten hun kleinkind plezier geeft, helpt om zich sociaal en emotioneel te ontwikkelen en goed is voor de onderlinge relatie (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.2).

Leesopvoeding en leeftijd

Kinderen krijgen met het klimmen der jaren steeds meer vrijheid van hun ouders. Dat geldt ook voor het lezen. De leesopvoeding verliest tussen 7- en 15-jarige leeftijd aan intensiteit. Voorlezen, praten over boeken, boekentips geven, boeken cadeau geven, samen naar de boekhandel of bibliotheek gaan: ouders gaan het steeds minder vaak met hun kroost doen (Huysmans, 2013).

Wie neemt hun opvoedende rol over? Eigenlijk niemand. De kinderen groeien naar onafhankelijkheid. Ze bepalen hoe langer hoe meer zelf welke boeken ze willen lezen. Ze krijgen met het ouder worden alleen van vrienden en vriendinnen vaker hulp of advies bij het uitzoeken van een boek. Net als de ouders spelen opa's en oma's en docenten een steeds marginalere rol. De bibliothecaris en boekhandelaar blijven tussen het zevende en vijftiende levensjaar ongeveer even vaak steun bieden bij de boekenkeuze – maar hun invloed is sowieso beperkt (Huysmans, 2013).

Helpers boekenkeuze, naar leeftijd

In procenten

Helpers boekenkeuze, naar leeftijd

In procenten

Door welke factoren laten volwassen boekenlezers zich beïnvloeden bij het kiezen van een boek? 16% van de Nederlanders zegt dat een film of televisie-serie aanleiding kan zijn om het boek te gaan lezen, 14% leest meestal boeken op aanraden van vrienden, familie en/of bekenden en 8% zegt eerder een boek te lezen als het een literaire prijs heeft gewonnen. De voorkeur voor een bepaalde auteur is de sterkste invloedsfactor. 48% van de Nederlanders zegt van een auteur die ze goed vinden zoveel mogelijk boeken te willen lezen (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2015.3).