Lezen op school

Fusies en overnames zorgen voor een krimp van het aantal onderwijsinstellingen. De leerlingpopulatie blijft groeien, met name op de hogere opleidingsniveaus. Basisscholieren krijgen een groeiend aantal lesuren in taal en lezen. De aandacht voor leesbevordering in het onderwijs groeit. Basis- en middelbare scholen ruimen vooral lestijd in voor ‘vrij lezen’. De manier waarop pabo's kinder- en jeugdliteratuur behandelen, loopt sterk uiteen.

Onderwijsinstellingen

Nederland kent steeds minder onderwijsinstellingen. Dat geldt in de hele breedte, van het basis- en het voortgezet tot het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Alleen het aantal universiteiten is sinds de eeuwwisseling gestegen. De afname komt alleen op het basisonderwijs door een geringere instroom. Op de andere onderwijsniveaus is deze het gevolg van fusies en overnames die op grote schaal hebben plaatsgevonden (CBS, 2016).

Onderwijsinstellingen

In aantallen

Onderwijsinstellingen beroepsonderwijs

In aantallen

Het basisonderwijs telt ongeveer evenveel openbare (32%), rooms-katholieke (30%) als protestants-christelijke scholen (30%) (Onderwijs in Cijfers, 2015). In het voortgezet onderwijs zit 70% van de leerlingen op een scholengemeenschap, bestaande uit vmbo, havo en vwo (Onderwijs in Cijfers, 2015).

Het concept van de brede school is aan een opmars bezig. Nederland telt in het schooljaar 2013-2014 ongeveer 2.000 brede basisscholen (29% van het totaal), 400 meer dan in 2010-2011. Daarnaast zijn er ongeveer 200 brede middelbare scholen (31% van het totaal). Brede scholen werken nauw samen met organisaties voor kinderopvang, welzijn, zorg, sport en cultuur. Ze zorgen voor een verbreding van het aanbod op het gebied van onderwijs, welzijn, kinderopvang, zorg, sport en cultuur (Regioplan, 2014).

Leerlingpopulatie

Nederland kent steeds meer leerlingen, studenten en onderwijsvolgers. Hoe hoger het onderwijsniveau, hoe groter de groei van de lerende populatie sinds de eeuwwisseling. Het aantal middelbare scholieren is sinds 2000-2001 met 11% toegenomen, het aantal mbo’ers met 7%, het aantal hbo’ers met 42% en het aantal universitair studenten met 57%. Alleen het aantal basisscholieren is sinds 2000-2001 licht gedaald, met 5,5%. Dat komt omdat er minder kinderen geboren worden (CBS, 2016; CBS, 2016).

Als gevolg van het lagere geboortecijfer gaat de populatie in het voortgezet onderwijs de komende jaren ook krimpen. Het aantal mbo-scholieren loopt terug sinds 2010-2011, een trend die zich de komende jaren voortzet. Steeds meer kinderen gaan na de middelbare school naar het hoger onderwijs. De kennis- en informatie-economie vraagt om hbo- en universitair geschoold personeel. De groeiende aanwas in het hoger onderwijs zet zich de komende tien jaar door, zij het minder sterk dan in het verleden (Onderwijs in Cijfers, 2015).

Leerlingen

In aantallen 

42% van de middelbare scholieren zit in een algemeen leerjaar, goed voor 413.680 leerlingen. 22% volgt vmbo jaar 3 of 4 (221.379 leerlingen), 16% havo jaar 3 tot en met 5 (163.454 leerlingen) en 17% vwo jaar 3 tot en met 6 (167.238 leerlingen). Waar het aantal vmbo-leerlingen de laatste jaren daalt, is het aantal havisten en vwo’ers toegenomen (CBS, 2016; Onderwijs in Cijfers, 2015).

Le(e)stijd

Taal en lezen krijgen binnen het basisonderwijs steeds meer prioriteit. Leerkrachten besteden met name meer lestijd aan leesonderwijs: 4,1 uur per week in 2011, tegen 3,3 uur in 2001 en 3,7 uur in 2006 (Netten et al., 2012). In de middenbouw is de helft van deze tijd bestemd voor technisch lezen. In de bovenbouw verschuift de focus naar begrijpend en studerend lezen. De aandacht voor woordenschat blijft, met drie kwartier per week, min of meer hetzelfde in midden- en bovenbouw (Cito, 2014).

Er bestaan grote verschillen tussen docenten in de lestijd die ze voor lezen inruimen. Deze loopt uiteen van minimaal 2,5 tot maximaal 6,5 uur per week (Cito, 2014). Dat komt doordat Nederlandse scholen zelf de samenstelling van het curriculum bepalen. De overheid legt hen, anders dan in veel andere landen, geen eisen op qua lestijd aan lezen, schrijven en literatuur (OECD, 2015).

In het voortgezet onderwijs is er relatief weinig aandacht voor de kernvakken taal en rekenen. Nederlandse middelbare scholieren krijgen hierin gemiddeld 13,8 uur per week les, tegenover een internationaal gemiddelde van wekelijks 17,9 uur. Dat verschil is er ook voor lezen, schrijven en literatuur, met 4,9 uur per week voor Nederland tegenover 6,3 uur internationaal (Scheerens et al., 2013).

Leesbevordering op de basisschool

Basisscholen hechten steeds meer belang aan leesbevordering. Ze ruimen een groeiende hoeveelheid lestijd in voor activiteiten die in het teken staan van leesplezier. Zo is het aantal leerlingen dat dagelijks 'vrij leest' op school is sinds 2001 verdubbeld, van 45% naar 82% (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012). Zij doen dit ongeveer anderhalf uur per week, ofwel ruim een kwartier per dag. Dat is het geval in de groepen 4 tot en met 8 (Monitor Bibliotheek op school, 2013). 

Daarnaast wordt er vaker voorgelezen in de klas, zowel door de docent als door de leerlingen (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012). Voorlezen gebeurt vooral in de onderbouw. Tot en met groep 3 maken vrijwel alle leerkrachten er een paar keer per week tijd voor vrij, in groep 7 en 8 is dit nog de helft (Monitor Bibliotheek op school, 2013).

Toetsen en opdrachten bij het lezen en voorlezen raken uit de mode. 66% van de leerkrachten laat leerlingen spreekbeurten houden over gelezen boeken (dat was 84% in 2005), terwijl 50% hen de opdracht geeft om een boekverslag te schrijven (dat was 62% in 2005) (Cito, 2014). Wel is er veel aandacht voor vrije, creatieve verwerking. Op 76% van de basisscholen worden introducties gehouden, met een korte presentatie over een (nieuw) boek, op 56% kringen, met een informeel gesprek/discussie tussen docent en leerling(en) over een boek, en op 40% creatieve activiteiten zoals het maken van een film of toneelstuk bij een boek (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

Vrijwel alle leerkrachten overleggen regelmatig met hun team en/of directie over leesbevordering. Bovendien nemen ze met hun leerlingen een of meerdere keren per jaar deel aan een campagne (Monitor Bibliotheek op school, 2013). Zo doet 95% mee aan activiteiten in het kader van de Kinderboekenweek en 39% van regionale voorleeswedstrijden (Cito, 2014).

Basisscholen borgen leesbevordering steviger in de organisatie. Bij 75% is het een structureel onderdeel van het beleidsplan. 37% vertaalt het algemene beleid vervolgens in een Leesplan, waarin de visie, doelen, en het jaarprogramma op het gebied van het plezierlezen zijn vastgelegd. Bij 51% draagt de leescoördinator, een docent gespecialiseerd in leesbevordering, de hoofdverantwoordelijkheid voor het beleid (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

De groeiende aandacht voor leesbevordering in het basisonderwijs is een meerjarige trend. Ook tussen 1994 en 2004 was er al sprake van een toename (Bonset & Hoogeveen, 2009).

De meeste leerkrachten in het basisonderwijs lezen zelf kinder- en jeugdboeken. De helft schopt het tot tien titels per jaar; bijna 30% leest er zelfs meer dan tien. Bijna een kwart leest geen kinder – en jeugdboeken of deed dat enkel in het verleden. Tweederde van de docenten geeft aan ‘enigszins’ op de hoogte te zijn van het recente aanbod van kinder- en jeugdliteratuur, terwijl een kwart zich ‘zeer goed’ op de hoogte voelt (La Roi, 2010).

Cursus Open Boek

Deze training leidt basisschoolleerkrachten op tot leescoördinator. Na afloop kunnen ze aan de slag met het leesbevorderingsbeleid op hun school. Voor scholen die meedoen aan de Bibliotheek op school is deelname verplicht. De training gaat in op de geschiedenis van de jeugdliteratuur, manieren om een goed functionerende schoolbibliotheek op te zetten, het organiseren van boekenkringen en boekengesprekken en het betrekken van ouders bij de leesopvoeding. Er zijn inmiddels 100 trainers aan de slag, die circa 2.500 leescoördinatoren hebben opgeleid. Op 66% van de basisscholen is een leescoördinator actief; op 51% is deze zelfs hoofdverantwoordelijke voor het leesbevorderingsbeleid (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

Leesbevordering op het vmbo

Op het vmbo wordt veel belang gehecht aan leesplezier. 48% van de docenten Nederlands ziet het als hun voornaamste taak om leerlingen lol te laten krijgen in lezen, gevolgd door het vergroten van de technische leesvaardigheid met 5%. 40% vindt deze doelen even belangrijk, 7% geeft aan dat het belang afhangt van de leerweg die een leerling volgt. Docenten proberen het leesplezier te stimuleren door leerlingen een boek naar keuze te laten lezen ('vrij lezen') (88%), titels aan te prijzen die de docent zelf heeft gelezen (73%), de lesmethode Nederlands te volgen (73%) en in de klas voor te lezen (64%) (DUO Onderwijsonderzoek, 2011).

Leesbevordering op de havo en het vwo

Vrij lezen is op de middelbare school de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit. 60% van de docenten Nederlands op de havo en het vwo geeft aan dat het een structureel onderdeel is van het lesprogramma. Op een derde van de scholen wordt minimaal één keer per week vrij gelezen. Leerlingen doen dat gemiddeld ongeveer een half uur aaneengesloten. Andere leesbevorderingsactiviteiten die met enige regelmaat op het programma staan, zijn boekintroducties en boekgesprekken. Dat gebeurt overwegend één keer per maand. Activiteiten die op jaarbasis worden georganiseerd, zijn klassenbezoeken aan de mediatheek en openbare bibliotheek, deelname aan een leesbevorderingscampagne of een schrijver die de school bezoekt. Bezoeken aan de lokale boekhandel komen nagenoeg niet voor (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Leesbevordering op de pabo

De aandacht voor kinder- en jeugdboeken op de pabo is redelijk prominent. 63% van de instellingen biedt jeugdliteratuur aan als zelfstandig vak. Is dat niet het geval, dan heeft het elders in het curriculum een plekje. Op vrijwel alle pabo's is jeugdliteratuur een onderdeel van andere vakken of thema's – met name van taal, rekenen en geschiedenis (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Pabo’s schenken in deze lessen aandacht aan het belang van lezen, prentenboeken, voorlezen, boekpromotie en leesbevordering. De manier waarop ze dat doen loopt sterk uiteen. Zo zijn er veel verschillende methodes in omloop. De meest gebruikte zijn het handboek Verborgen Talenten van Coutinho, de boeken Vertel eens en De leesomgeving van Aidan Chambers en de cursus Open Boek van Stichting Lezen (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Ook de omvang en aard van de leeslijst verschilt. Zo lezen studenten op de ene pabo gedurende hun opleiding zo'n tien kinder- en jeugdboeken en op de andere wel vijftig. Terwijl de leeslijst op 15% van de pabo’s verplicht is, kiezen studenten op ruim de helft van de pabo's hun boeken in samenspraak met de docent en op basis van de opleidingseisen (met name diversiteit aan genres en literaire kwaliteit) (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Op vrijwel alle pabo’s zijn de kinder- en jeugdboeken te vinden in de schoolmediatheek. De collecties zijn volgens docenten Nederlands echter voor verbetering vatbaar. Dat betreft zowel de gevarieerdheid als de kwaliteit van de boeken (Oberon/Stichting Lezen, 2014).