Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Literaire leesprestaties

-> De literaire leesprestaties van Nederlandse basisscholieren zijn de afgelopen jaren stabiel.

-> Van de havisten slaagt driekwart erin het vereiste literaire competentieniveau te halen, van de vwo'ers bijna de helft.

Basisscholieren presteren stabiel op verhalende teksten

De leesprestaties van Nederlandse 10-jarigen liggen op hetzelfde niveau als vijf jaar geleden. Dit geldt voor de beide in PIRLS onderzochte tekstsoorten: informatieve en verhalende teksten. Ten opzichte van 2001 is er wel sprake van een verslechtering. Dit komt vooral door de sterke daling tussen de metingen van 2001 en 2006, voor zowel informatieve als verhalende teksten (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

De prestaties van 10-jarigen op beide tekstsoorten liggen dicht bij elkaar. Het verschil van een punt in het voordeel van verhalende teksten is niet significant. Dat hun prestaties op informatieve en verhalende teksten nagenoeg gelijk zijn, is sinds 2001 het geval (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Leesprestaties 10-jarigen, naar tekstsoort

In gemiddelde scores

10-jarige meisjes zijn leesvaardiger dan jongens op deze leeftijd. Dit geldt zowel voor verhalende als informatieve teksten (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Meerderheid middelbare scholieren haalt norm voor literaire competentie

De helft van de middelbare scholieren begint aan de tweede fase met een achterstand in literaire competentie. Dit is het geval op de havo en op het vwo. Aan het eind van de middelbare school behaalt 73% van de havisten de havo-norm voor literaire competentie, terwijl 47% van de vwo’ers de vwo-norm haalt (Witte, 2008).

Voor de literaire competentie bestaat er een omgekeerd Matteüs-effect. Niet zozeer de sterke als wel de zwakke leerlingen boeken in de tweede fase de meeste vooruitgang. Het literatuuronderwijs slaagt er vooral in om hún literaire competentie en motivatie om literatuur te lezen naar een hoger plan te tillen (Witte, 2008).

Er gaat van het literatuuronderwijs een emanciperend effect uit. Waar het beginniveau van 4 havo- en 4 vwo-leerlingen sterk samenhangt met hun eigen leesgedrag en het leesklimaat thuis, is dat aan het eind van de middelbare school niet meer het geval. Leerlingen die weinig lezen en weinig leesstimulansen van hun ouders krijgen, hebben dus evenveel kans om één, twee of drie niveaus te klimmen als leerlingen met een meer voordelige uitgangssituatie (Witte, 2008).