Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Welke kinderen zijn goed in lezen?

-> Kinderen op de hogere schoolniveaus boeken betere leesprestaties. Laaggeletterdheid komt vrijwel uitsluitend voor op het vmbo.

-> Meisjes zijn leesvaardiger dan jongens. Het verschil tussen de seksen is de laatste jaren gegroeid.

-> Kinderen van lager opgeleide ouders zijn minder goed in lezen. Vergeleken met andere landen is de sociale kloof klein.

-> Migrantkinderen, die thuis weinig tot geen Nederlands spreken, zijn minder leesvaardig. Dit komt vooral door hun sociale status en doordat ze op achterstandsscholen zitten.

-> De keuze voor een school is in Nederland sterk bepalend voor de leesvaardigheid. 

-> Het technisch lezen wordt vooral bepaald door de kwaliteit van de instructie.

Kloof in leesvaardigheid tussen onderwijsniveaus

In groep 8 zijn de verschillen in taal- en leesvaardigheid tussen leerlingen enorm. De meest vaardige lezers stromen door naar de middelbare school met een vwo-advies op zak. De minst vaardige lezers gaan naar de basisberoepsgerichte stroming van het vmbo. Dat kinderen met een lager advies voor het voortgezet onderwijs minder goed presteren, geldt voor lezen (met de vaardigheden begrijpend lezen, opzoeken en samenvatten) en taalverzorging (met de vaardigheden spelling, interpunctie en grammatica). Het verschil tussen de vmbo-leerwegen gemengd theoretisch en kaderberoeps is het kleinst (Cito, 2018).

Leesprestaties groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In procenten dat referentieniveau 2F behaalt voor lezen

Leesprestaties groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In procenten dat referentieniveau 2F behaalt voor taalverzorging

Gedurende het voortgezet onderwijs blijven de verschillen in leesvaardigheid bestaan. De kloof binnen het vmbo is dan het grootst: 15-jarige leerlingen op vmbo gl/tl halen gemiddeld 97 punten meer in PISA dan hun leeftijdsgenoten op vmbo basisberoeps. Alle vmbo-niveaus zitten onder het gemiddelde voor Nederlandse leerlingen. Havisten en vwo’ers scoren hierboven. Terwijl de prestaties op de havo en het vwo in de loop der jaren stabiel zijn, boeken vmbo-leerlingen een lichte achteruitgang. Deze daling is overigens niet significant en dus niet ‘betekenisvol’ (Cito, 2016).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar opleidingstype

In gemiddelde scores

Veel laaggeletterden op het vmbo

Laaggeletterdheid komt uitsluitend voor op de lagere opleidingstypen. Ten minste de helft van de 15-jarigen in het praktijkonderwijs en de basisberoepsgerichte stroming van het vmbo is laaggeletterd. In de eerste twee leerjaren van het vmbo en op vmbo kaderberoeps gaat het om minstens één op de drie leerlingen (Cito, 2016; Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010). Laaggeletterde leerlingen beperken zich over het algemeen tot het opzoeken van noodzakelijke informatie en het lezen van verplichte teksten op school. Ze lezen nauwelijks fictie-boeken (Kordes, Feenstra, Partchev, Feskens & De Graaf, 2012).

Laaggeletterdheid 15-jarigen, naar opleidingstype

In procenten

Op het vwo scoort 37% van de leerlingen in de hoogste categorieën voor leesvaardigheid. Zij behoren tot de hooggeletterde lezers. Op de havo gaat het nog altijd om 12%, op vmbo gl/tl om 1%. Op de overige niveaus van het vmbo en het praktijkonderwijs zitten geen hooggeletterde leerlingen (Cito, 2016).

Jongens zijn minder leesvaardig

Meisjes zijn in het basis- en voortgezet onderwijs betere lezers dan jongens. Ze scoren op 10-jarige leeftijd tien punten hoger in het PIRLS-onderzoek en op 15-jarige leeftijd 24 punten hoger in PISA (jongens 491 punten; meisjes 515 punten). De seksekloof is in Nederland kleiner dan in de meeste andere landen, maar eveneens significant (Expertisecentrum Nederlands, 2017Cito, 2016). Nederlandse meisjes lopen ongeveer een heel schooljaar voor op jongens (Eurydice, 2011).

Tussen 2001 en 2011 groeiden de leesprestaties van 10-jarige jongens en meisjes naar elkaar toe. In 2016 wordt het verschil voor het eerst weer groter (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Het sekseverschil op 15-jarige leeftijd is sinds 2006 ongeveer even groot. Tussen 2003 en 2006 groeide het verschil (Cito, 2016Kordes, Bolsinova, Limpens, Stolwijk, 2013).

Trend in leesvaardigheid 10-jarigen, naar sekse

In gemiddelde scores

10-jarige meisjes zijn beter dan jongens in beide begripsprocessen in PIRLS: het verwerken van informatie en het maken van inferenties, alsmede het interpreteren, integreren en evalueren van informatie (Expertisecentrum Nederlands, 2017). 15-jarige meisjes doen het beter op alle drie de onderdelen: het zoeken en vinden van informatie, het interpreteren van teksten en het reflecteren op en evalueren van teksten (Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010).

De seksekloof wordt breder met het ouder worden. Voor een 10-jarig meisje is het 1,4 keer zo waarschijnlijk dat ze een vaardige lezer is. Op 15-jarige leeftijd is deze kans gestegen naar 1,6 keer (Eurydice, 2011). De seksekloof bestaat met name onder zwakke lezers. De verschillen tussen jongens en meisjes in het praktijkonderwijs en op het vmbo zijn groter dan op de havo en het vwo (Stoet, 2013). Daarnaast tekent de kloof zich vooral af onder kinderen uit migrantgezinnen (Dronkers & Kordner, 2014). De seksekloof bestaat al minstens honderd jaar: er is dus geen sprake van een ‘jongenscrisis’ (Voyer & Voyer, 2014).

Meisjes beter in meeste taalonderdelen

Meisjes presteren in groep 8 beter dan jongens op lezen (met de vaardigheden begrijpend lezen, opzoeken en samenvatten) en taalverzorging (met de vaardigheden spelling, interpunctie en grammatica) (College voor Toetsen & Examens, 2017; Cito, 2018). De leesprestaties van beide seksen dalen van 2016 op 2017, maar de daling bij jongens is groter dan bij meisjes (Inspectie van het Onderwijs, 2018). Meisjes presteren tevens beter op woordenschat. Bovendien zijn ze vaardiger in interpreterend en studerend lezen (Cito, 2014).

Leesprestaties groep 8, naar sekse

In procenten dat referentieniveau 2F behaalt voor lezen

Leesprestaties groep 8, naar sekse

In procenten dat referentieniveau 2F behaalt voor taalverzorging

Het sekseverschil ontstaat waarschijnlijk tijdens de vroeg- en voorschoolse periode. In Amerikaans onderzoek zijn er op leeftijden van 14, 24 en 36 maanden verschillen gevonden in taalbegrip en woordenschat, in het voordeel van meisjes (Rodriguez et al., 2009).

Seksekloof kleiner voor digitaal lezen

Jongens hebben op digitaal lezen een kleinere achterstand dan op lezen van papier. Bij zestien deelnemende landen aan een aanvullende PISA-enquête, waar Nederland niet bij hoort, scoren 15-jarige meisjes gemiddeld 24 punten hoger. Voor het lezen van papier is het verschil 38 punten. Jongens zijn, in vergelijking met andere taalonderdelen, relatief vaardig in online zoeken en navigeren. Overigens hangen de twee vormen van geletterdheid sterk met elkaar samen: hoe vaardiger in lezen van papier, hoe vaardiger in digitaal lezen (PISA in Focus, 2012; OECD, 2015).

Kind met hoger opgeleide ouders is betere lezer

Groep 8-leerlingen met lager opgeleide ouders presteren zwakker op lezen en taalverzorging dan kinderen met midden en hoger opgeleide ouders (Inspectie van het Onderwijs, 2018). ‘Lezen’ omvat de vaardigheden begrijpend lezen, opzoeken van informatie en samenvatten, ‘taalverzorging’ de vaardigheden spelling, interpunctie en grammatica (Cito, 2018). Ook in het interpreterend en studerend lezen zijn groep 8-leerlingen met lager opgeleide ouders minder vaardig. Deze verschillen bestaan al in groep 4 en 5, alleen zijn ze daar geringer (Cito, 2014). Basisscholen waarop hoofdzakelijk leerlingen uit hoger opgeleide gezinnen zitten, boeken eveneens betere leesprestaties (Inspectie van het Onderwijs, 2018; Cito, 2018).

Ook op 15-jarige leeftijd boeken kinderen van hoger opgeleide ouders de beste leesprestaties (Cito, 2016). Het ouderlijk opleidingsniveau is in Nederland een minder goede voorspeller voor de leesvaardigheid dan in veel andere landen. Nederlandse kinderen uit lager opgeleide gezinnen hebben relatief goede kansen om uit te groeien tot vaardige lezers. Hun vooruitzichten zijn beter dan die van Duitse en Belgische, maar slechter dan die van Finse en Noorse leeftijdsgenoten (OECD, 2011).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar opleidingsniveau ouders

In gemiddelde scores

Kind van in Nederland geboren ouders is betere lezer

Groep 8-leerlingen zonder migratie-achtergrond zijn leesvaardiger dan kinderen met een migratie-achtergrond. Zij presteren beter op zowel lezen (begrijpend lezen, opzoeken van informatie en samenvatten) als taalverzorging (spelling, interpunctie en grammatica). Ook doen ze het beter op interpreterend en studerend lezen. Het verschil betreft niet-westerse migranten van de eerste en tweede generatie en, in mindere mate, westerse migranten van de eerste generatie. Westerse migranten van de tweede generatie presteren nagenoeg even goed als kinderen zonder migratie-achtergrond (Inspectie van het Onderwijs, 2018; Cito, 2018; Cito, 2014). Basisscholen waarop hoofdzakelijk leerlingen uit migrantgezinnen zitten, boeken eveneens minder goede leesprestaties (Inspectie van het Onderwijs, 2018).

Dit verschil blijft bestaan op de middelbare school. Op 15-jarige leeftijd presteren kinderen met een migratie-achtergrond minder goed op leesvaardigheid. Er is geen verschil tussen migranten van de eerste en tweede generatie (Cito, 2016). Binnen migranten van de eerste generatie zijn er wel omvangrijke verschillen. Hoe jonger deze kinderen zijn als ze zich in hun nieuwe land settelen, hoe beter hun kansen om een vaardige lezer te worden. Met name migranten uit minder ontwikkelde landen profiteren van een vroege aankomst in hun nieuwe thuisland (PISA in Focus, 2013).

Kind van Nederlands sprekende ouders is betere lezer

15-jarige leerlingen die thuis een andere taal spreken dan op school (in Nederland het Nederlands), scoren gemiddeld 58 punten lager op de toets voor leesvaardigheid. Het verschil ten opzichte van de thuis Nederlands sprekende leerlingen is stabiel ten opzichte van het PISA-onderzoek in 2012 (Cito, 2016).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar thuistaal

In gemiddelde scores

Niet etniciteit, maar sociale omgeving is oorzaak

Dat kinderen van in het buitenland geboren ouders zwakkere lezers zijn, komt niet zozeer door hun afkomst, als wel door hun lagere sociaal-economische status. Dat geldt voor migranten van de eerste en de tweede generatie. Nederland is het enige PISA-land waar de invloed van etniciteit verdwijnt als de welvaart en het opleidingsniveau worden meegenomen in de analyse (OECD, 2011; OECD, 2012).

De herkomst van de ouders wordt daarnaast overruled door de samenstelling van de school. De meeste migrantkinderen zitten op scholen met veel kinderen van lager opgeleide moeders. Nederland behoort in dit opzicht zelfs tot de koplopers in PISA. Migrantkinderen hebben, vanwege hun schoolkeuze, een minder goede kans hebben om een vaardige lezer te worden (OECD, 2012).

Tot slot zijn er de verwachtingen van het onderwijspersoneel. Leerkrachten in het kleuteronderwijs schatten de talenten en mogelijkheden van migrantkinderen lager in. Ze besteden bij deze kinderen daarom minder tijd aan geschreven taal. Migrantkinderen hebben dus vanaf jonge leeftijd geringere kansen, wat zich vertaalt in zwakkere leesprestaties aan het eind van groep 3 (Stoep, 2008).

Schoolkeuze sterk bepalend voor leesvaardigheid

Nederland staat in de Europese top 4 van het verband tussen schoolkeuze en leesvaardigheid. 62% van de verschillen in leesprestaties van 15-jarigen laten zich verklaren door verschillen tussen middelbare scholen. De schoolkeuze bepaalt dus sterk of een kind uitgroeit tot een vaardige lezer en het kwaliteitsniveau tussen scholen loopt sterk uiteen. Nederland bevindt zich in het gezelschap van Duitsland, België, Hongarije en Slovenië. In de Scandinavische landen, met percentages rond de 10% voor verschillen tussen scholen, doet het er voor de leesprestaties weinig toe op welke school een leerling zit (OECD, 2016).

Op middelbare scholen met veel universitair opgeleide docenten, veel leerlingen uit een hoge sociale klasse en veel meisjes worden hogere leesscores geboekt. Jongens profiteren in het bijzonder van de aanwezigheid van meisjes. Beide seksen zijn vaardiger in lezen als de leerlingpopulatie voor ten minste 60% uit meisjes bestaat, maar bij jongens is het effect het grootst (Van Hek, Kraaykamp, & Pelzer, 2017).

Technisch lezen onafhankelijk van achtergrond

De prestaties op technisch lezen worden, anders dan op woordenschat, spelling en begrijpend lezen, nauwelijks beïnvloed door persoonskenmerken. Kinderen van hoger en lager opgeleide ouders, migrantkinderen en niet-migrantkinderen, kinderen die thuis Nederlands of een vreemde taal spreken: de verschillen tussen deze groepen zijn aan het eind van de basisschool gering. De technische leesvaardigheid kan eerder worden toegeschreven aan het leesonderwijs, en dan met name aan de kwaliteit van de instructie (Onderwijsinspectie, 2006).