Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Van leesplezier naar leesgedrag

Wie lezen plezierig en/of nuttig vindt, zal vaker lezen. Hetzelfde geldt voor wie graag opgaat in een verhaalwereld, emoties ervaart of meeleeft met de personages. Een positieve leesattitude heeft een grotere invloed op het leesgedrag dan een positief zelfbeeld van de leesvaardigheid.

Vooral plezier in lezen doet lezen

De leesattitude en de leesfrequentie hangen positief met elkaar samen. Middelbare scholieren die lezen plezierig vinden, lezen vaker dan scholieren die lezen vervelend vinden. 44,6% van de verschillen in leesfrequentie laat zich verklaren door de leesattitude (Stalpers, 2007; Stokmans, 2009Kleijnen, 2016).

De experiëntiële of hedonistische component van de leesattitude neemt het leeuwendeel van dit verband voor zijn rekening: het lezen voor plezier en affectie. De rationele of instrumentele component oefent een minder grote invloed uit: lezen vanuit de gedachte dat het baat heeft, bijvoorbeeld voor school of de persoonlijke ontwikkeling. Mensen lezen dus vooral omdat het hen genot brengt, niet zozeer omdat ze denken dat het nuttig is (Stalpers, 2007; Stokmans, 2009Kleijnen, 2016).

De positieve invloed op het leesgedrag geldt zowel voor de leesmotivatie thuis als op school. Kinderen die in hun vrije tijd een sterke autonome motivatie hebben om te lezen, blijken vaker te lezen en tevens leesvaardiger te zijn. Als ze tijdens schooltijd een sterke autonome motivatie hebben, lezen ze vaker. Daartegenover staan kinderen die lezen vanuit een gecontroleerde motivatie. Zij lezen niet vanuit zichzelf voor het plezier, maar omdat hun omgeving deze druk oplegt (ouders die zeggen ‘eerst lezen, dan pas televisie kijken’) of omdat ze zichzelf onder druk zetten (‘ik moet lezen want anders ben ik dom’). Deze kinderen boeken minder goede prestaties op begrijpend lezen (De Naeghel, 2013).

Nederlandse middelbare scholieren vinden lezen minder plezierig dan hun Chinese en Zuid-Afrikaanse leeftijdgenootjes. Als gevolg daarvan besteden ze er ook minder tijd aan. Daarnaast laten ze zich bij het lezen het minst sturen door hun ouders. De subjectieve norm die ze van huis uit meekrijgen heeft, in vergelijking met Chinese en Zuid-Afrikaanse jongeren, weinig invloed op hun leesgedrag (Broeder & Stokmans, 2011).

Leesmotivatie en leesfrequentie

Middelbare scholieren die graag opgaan in de wereld van een verhaal (absorptie), sterke emoties ervaren (emotionele intensiteit) en meeleven met de personages (empathie), blijken vaker te lezen. Hetzelfde geldt voor leerlingen die verhalen lezen met als doel esthetisch te genieten. De drie leesmotieven prikkelen van de fantasie, intellectuele verdieping en wensvervulling (iets ‘ervaren’ wat je niet in het echt durft) hangen niet positief samen met de leesfrequentie (Stalpers, 2011).

Leerlingen die lezen vanuit de drijfveren absorptie, emotionele intensiteit en empathie, zijn vooral geïnteresseerd in de genres literatuur, spanning en romantiek. Het esthetische motief komt met name voor bij literatuur, de fantasie prikkelen bij het fantasy-genre en wensvervulling bij spanning en fantasy. Intellectuele verdieping en fantasy hangen juist negatief met elkaar samen, evenals wensvervulling en literatuur (Stalpers, 2011).

Leesattitude, leesgedrag en zelfbeeld leesvaardigheid

Aangenomen wordt dat de leesattitude, het leesgedrag en het zelfbeeld van de leesvaardigheid met elkaar samenhangen. Stokmans (2007; 2006) vindt bij middelbare scholieren echter met name een sterk verband tussen de leesattitude en het leesgedrag. Het gaat bij de leesattitude zowel om de hedonistische als om de utilitaire component, en bij het leesgedrag zowel om de intentie om te lezen als uit de frequentie waarmee wordt gelezen.

Het verband tussen het zelfbeeld van de leesvaardigheid en zowel het leesgedrag als de leesattitude is veel zwakker. Wie zichzelf leesvaardig vindt, zal niet zonder meer vaker lezen en er ook niet meer plezier aan beleven. Wie een positieve attitude heeft tegenover het lezen, zal daarentegen wél vaker lezen. Dat geldt zowel als die houding is gestoeld op plezier in lezen (hedonistisch) als op het nut van lezen (utilitair) (Stokmans, 2007; 2006).

Relatie leesattitude, leesgedrag en zelfbeeld leesvaardigheid

In correlaties (0,1-0,3=zwak; 0,3-0,5=matig: 0,5-1=sterk)