Voordelen verrijkte kinderboeken

Het (voor)lezen van digitale kinderboeken stimuleert de taalontwikkeling. Dat komt door de extra vertelmiddelen waarmee ze verrijkt zijn: een luisterversie, filmpjes en animaties en muziek en achtergrondgeluid. Een overdaad aan aanklikbare hotspots kan kinderen afleiden van het verhaal. Alleen als interactieve extra’s functioneel zijn, hebben ze een positief effect.

Digitale kinderboeken bevatten vertelmiddelen die niet mogelijk zijn in gedrukte boeken. Kenmerkend zijn een luisterversie, filmpjes en animaties, muziek en achtergrondgeluid en allerhande aanklikbare hotspots. Dat kunnen spelletjes zijn, maar ook quizvragen over het verhaal, een woordenboek, feedback van een tutor en/of een karaokebalk. Uit een meta-analyse van 43 studies blijkt een klein maar significant positief effect van zulke technologische extra's op de woordenschat en het verhaalbegrip. Digitale kinderboeken bezitten dus specifieke voordelen ten opzichte van papier. Er bestaat géén effect op de leesmotivatie. Dat impliceert dat digitale technologie niet zozeer de de interesse van kinderen triggert, maar de cognitieve verwerking ondersteunt (Takacs, Swart & Bus, 2015; Bus & Takacs, 2015).

Voorleesstem

Een luisterversie is een goede 'stand-in' voor een voorlezende volwassene. Kinderen begrijpen het verhaal even goed. Ook als ze het verhaal moeten navertellen, doen ze dat even diepgaand nadat ze digitaal zijn voorgelezen (De Jong & Bus, 2004). Kleuters hebben zelfs meer baat bij het e-boek als de tekst wordt ‘opgeknipt’. Als de voorleesstem woorden per lettergreep of zelfs per letter worden voorleest, stimuleert dat hun fonemisch bewustzijn (Segal-Drori, Korat, Shamir & Klein, 2010).

Ook beginnende lezers hebben baat bij een luisterversie. Als zij het verhaal gelijktijdig voorgelezen krijgen én zelf lezen, begrijpen ze het beter. De luisterversie helpt hen met name bij moeilijke woorden en zinnen (Pearman, 2008).

De combinatie van digitaal boek en volwassene werkt het meest optimaal. Hierdoor ontstaan extra mogelijkheden tot interactie. Kinderen krijgen immers niet alleen feedback van de volwassene, maar ook van de multimedia en interactiviteit in het boek. Dat helpt hen hun fonemisch bewustzijn, kennis van printconventies en woordleesvaardigheid vergroten (Segal-Drori, Korat, Shamir & Klein, 2010).

Filmpjes en animaties

Kinderen hebben er baat bij als verbale en visuele informatie naast elkaar worden gepresenteerd. Beelden kunnen helpen om het voorgelezen verhaal te begrijpen. Gedrukte boeken bieden deze steun met statische prenten. Het blijkt dat de bewegende beelden en animaties in digitale boeken nog effectiever zijn. Deze helpen kinderen hun verhaalbegrip en woordenschat vergroten (Takacs, Swart & Bus, 2015; Bus & Takacs, 2015).

Vooral moeilijke lezers plukken de vruchten van multimedia. Zo komen migrantkinderen, die een achterstand hebben in het Nederlands, tot een beter begrip van het verhaal (Verhallen, Bus & De Jong, 2004). Daarnaast boeken tweede taalleerders meer vooruitgang op hun woordenschat (Verhallen & Bus, 2010). Hetzelfde geldt voor kleuters met een 'normale' taalontwikkeling. Bij hen is geen effect gevonden op het begrip (Smeets, 2012). Wel blijven ze, ook na meerdere keren voorlezen, geboeider door filmpjes dan door prenten (Verhallen, Bus & De Jong, 2004).

Multimedia hebben als meerwaarde dat ze, dankzij de beweging, een idee geven van het tijdsverloop van het verhaal. Kinderen leren daardoor niet alleen de gebeurtenissen, maar ook de oorzaken en gevolgen daarvan te doorgronden (Verhallen, Bus & De Jong, 2004). Bovendien biedt de camera de mogelijkheid om in te zoomen op de details in het plaatje. Kinderen kunnen daardoor gemakkelijker de betekenis van woord en beeld met elkaar verbinden (Bus, Takacs & Kegel, 2015). Uit registraties van hun oogbewegingen blijkt dat de (voorgelezen) tekst grotendeels bepaalt waarnaar ze kijken. Ze fixeren vaker en langduriger op de onderdelen die in de tekst worden beschreven. Ook hebben ze meer oog voor de verhaalpersonages, of dat nu mensen, dieren of fantasiewezens zijn (Verhallen & Bus, 2011).

Het helpt níet als de volwassene die voorleest in beeld is. Dat trekt de aandacht weg van de tekst alsmede van de verhaalwereld en de personages (De Jong & Bus, 2013).

Een soundtrack

Een geluidsband kan ook een onderdeel zijn van de multimedia. Achtergrondmuziek onderstreept de emoties van de personages, terwijl geluiden ('kloppen op de deur') bepaalde woordbetekenissen uitdrukken. Geluid heeft een positief effect op de woordenschat van kinderen met een normale taalontwikkeling en tweede taalleerders, maar niet van kinderen op speciale scholen met een taalachterstand. Zij hebben al zoveel moeite met het volgen van de voorleesstem dat de toevoeging van geluid zorgt voor 'cognitieve overbelasting' (Smeets, 2012).

Interactieve hotspots

Interactieve vertelmiddelen worden idealiter gedoseerd toegepast. Als elk scherm is gevuld met spelletjes, quizzes en aanklikbare hotspots, leidt dat kinderen af van het verhaal. Ze komen dan in een speel- in plaats van in een leeshouding terecht (De Jong & Bus, 2002). Tevens kan het hen moeite kosten om, na het spelen, opnieuw 'in' het verhaal te komen. Ze moeten immers heen en weer schakelen tussen het verhaal en het spelletje (Bus, Takacs & Kegel, 2015Bus & Takacs, 2015).

Blijkens een meta-analyse van 43 studies doet een overdaad aan interactiviteit de meerwaarde van multimedia teniet. Als kinderen de bewegende beelden en geanimeerde plaatjes niet alleen kunnen bekijken, maar er ook mee kunnen spelen, verdwijnen de voordelen voor hun begrip. Dat is met name het geval voor kinderen met een taalachterstand (Takacs, Swart & Bus, 2015). Als kinderen het verhaal navertellen, doen ze dat ook gedetailleerder als er geen aanklikbare hotspots zijn (De Jong & Bus, 2002).

Interactiviteit in digitale kinderboeken kán wel een positief effect hebben. Het is dan zaak dat de spelelementen duidelijk aansluiten op het verhaal. Quizzes bijvoorbeeld. Kleuters die tijdens óf na afloop van het voorlezen meerkeuzevragen moeten beantwoorden, leren 18% meer nieuwe woorden dan wanneer ze enkel worden voorgelezen. Dit effect is vergelijkbaar met een interactief voorlezende ouder. Ook een woordenboek, in de vorm van aanklikbare hotspots met woordbetekenissen, stimuleert de woordenschat. (Smeets & Bus, 2012).

Interactieve extra’s kunnen ook hulp bieden bij het zelf lezen. Een digitale ‘tutor’, een geanimeerde muis die in beeld is, kan de rol van de docent of volwassene vervullen. De tutor betrekt kinderen bij het verhaal, bijvoorbeeld door hen vragen te stellen over de personages en de gebeurtenissen. Groep 7-leerlingen die normaal snel afgeleid zijn, leren bij het lezen van een tutor-boek meer nieuwe woorden. De aanwezigheid van de virtuele 'docent' activeert hun aandacht (Nielen & Bus, 2016).

Digitale kinderboeken komen in de praktijk nauwelijks tegemoet aan bovengenoemde voorwaarden. Slechts 20% van de aanklikbare hotspots en een kwart van de spelletjes zijn gerelateerd aan het verhaal (Joan Ganz Cooney Center, 2012).

Karaokebalk

Een bewegend balkje laat letters en woorden oplichten terwijl ze worden voorgelezen. Dat trekt de aandacht van kinderen naar de tekst, met name als ze al een beetje kunnen lezen. Een karaokebalk helpt beginnende lezers zo om hun kennis van geschreven taal te vergroten. Ze leren letters lezen, nieuwe woorden herkennen en vergroten bovendien hun tekstbegrip (De Jong & Bus, 2013; Korat, 2010; Gong & Levy, 2009).