Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Voorleestijd

-> Bijna de helft van de Nederlanders leest weleens voor, nagenoeg evenveel als in voorgaande jaren.

-> Voorlezen vindt meestal plaats in de familiesfeer, aan kinderen, kleinkinderen en/of neefjes en nichtjes.

-> Acht op de tien Nederlandse ouders lezen weleens voor, nagenoeg evenveel als in voorgaande jaren. De tijdsbesteding daalt wel.

-> Moeders lezen vaker voor dan vaders - van papier én scherm. De meeste kinderen geven de voorkeur aan hun moeder als voorlezer.

-> Driekwart van de Nederlandse grootouders leest weleens voor, vooral als oppasser.

-> De meeste jonge kinderen maken als eerste kennis met gedrukte boeken, daarna volgen de (digitale) schermmedia.

-> Voorlezers hebben een sterke affiniteit met de leescultuur. Een voorleessessie duurt meestal tussen de 5 en 15 minuten en heeft een interactief karakter.

Voorleesgedrag Nederlanders door de jaren heen stabiel

Bijna de helft van de Nederlanders leest weleens voor uit een boek. Dat aantal is nagenoeg stabiel ten opzichte van voorgaande jaren. Nederlanders zijn ook nagenoeg even vaak blijven voorlezen. Het aantal mensen dat (bijna) elke dag voorleest neemt in 2016 toe, maar dat kan een ‘seizoenseffect’ zijn: de vraag is in 2015 in januari gesteld en in 2016 in juni (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3; Stichting Lezen/GfK, 2013).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse bevolking

Vraagstelling luidt 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek?' In 2013: 'Leest u wel eens voor aan kinderen of volwassenen?'

56% van de Nederlanders geeft aan nooit voor te lezen. De meest genoemde reden is het ontbreken van een andere persoon om aan voor te lezen. 60% heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen, 40% geen volwassenen. Andere, door minder mensen genoemde redenen zijn 'niet van voorlezen houden' (15%), 'er weinig tijd voor hebben' (10%) en 'niet goed kunnen voorlezen' (5%) (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Voorlezen gebeurt vooral aan kinderen

Nederlanders die voorlezen doen dat met name aan kinderen. Dat gebeurt het vaakst in de hoedanigheid van ouder, gevolgd door grootouder en/of een ander familielid. Voorlezen is daarmee een activiteit die hoofdzakelijk plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer. Het komt minder vaak voor dat volwassenen aan kinderen voorlezen op school, in de bibliotheek of in de zorg. Datzelfde geldt voor het voorlezen aan volwassenen, zoals partners aan elkaar, een kind aan de ouders of een vriend aan een vriend of vriendin (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3; Stichting Lezen/GfK, 2014).

Voorleesfrequentie Nederlandse ouders stabiel, tijdsbesteding daalt

Vier op de tien ouders met kinderen tussen de 0 en 12 jaar leest hen (bijna) elke dag voor. Ruim de helft (56%) doet dat minimaal één keer per week. Deze aantallen liggen op nagenoeg hetzelfde niveau als voorgaande jaren. Het percentage ouders dat nooit voorleest schommelt: van 13% in 2014 naar 23% in 2015 en weer naar 19% in 2016 (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse ouders

De tijd die ouders van 0- tot 6-jarige kinderen aan voorlezen besteden, ligt op gemiddeld 27 minuten per dag. Dat is 14 minuten minder dan in 2016, een daling van 34%. Voor tijdschriften en stripboeken gaat het om een dagelijkse 21 minuten, een minuut minder dan een jaar eerder (Mediawijzer & The Choice, 2017).

Ouders lezen hun kinderen vooral voor als deze nog jong zijn. Ze gaan minder voorlezen vanaf het zesde en zevende levensjaar, ongeveer het moment dat kinderen zelf leren lezen. Ze vinden hun kinderen dan in toenemende mate 'te oud'. 31% van de ouders van 12-jarigen, 49% van de ouders van 14-jarigen en 64% van de ouders van 17-jarigen noemt dit als reden om het voorlezen te staken (Stichting Lezen, 2015). Het percentage ouders met 6- tot 12-jarige kinderen dat voorleest maakt wel een stijging door. In 2012 doet 40% dit dagelijks, tegen 28% in 2009 (Ecorys & Oberon, 2013).

Moeders schenken meer aandacht aan voorlezen dan vaders

Ruim de helft (55%) van de moeders leest dagelijks voor aan hun kind. Bij vaders gaat het om 45%. Beide ouders gaan minder vaak voorlezen als hun kind ouder wordt (Stichting Lezen, 2015). De voorleessessies van moeders duren langer dan die van vaders, en ze gebruiken vaker interactieve voorleestechnieken (Stichting Lezen/GfK, 2014). Moeders lezen vaker voor van papier én digitaal, hoewel het verschil met vaders bij papier groter is (Mediawijzer, 2016).

Voorleesgedrag, naar sekse

In procenten van de Nederlandse ouders

Er zijn ook verschillen tussen vaders en moeders in de boekgenres waaruit zij voorlezen. Terwijl vaders vaker voorlezen uit stripboeken (met name aan hun zoons), lezen moeders vaker voor uit prenten- en plaatjesboeken. Vaders en moeders lezen even vaak voor uit kinder- en jongerenboeken, informatieve boeken, tijdschriften en kranten. Er wordt door beide ouders veruit het vaakst voorgelezen uit verhalende boeken of fictie (met of zonder prenten) (Stichting Lezen, 2015).

Bijna de helft (49%) van de kinderen wordt (volgens ouders zelf) het liefst voorgelezen door hun moeder. 11% vindt het leuker om door hun vader te worden voorgelezen. De overige 41% heeft geen duidelijke voorkeur (Stichting Lezen/GfK, 2014). Er zijn geen verschillen in de frequentie waarmee Nederlandse zoons en dochters worden voorgelezen (Stichting Lezen, 2015).

Andere vrouwelijke familieleden, zoals grootmoeders en tantes, lezen ook vaker voor dan hun mannelijke evenknieën (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2011.1).

Grootouders lezen vooral voor als oppasser

Bijna drie op de vier (73%) Nederlandse grootouders met kleinkinderen tussen de 0 en 12 jaar lezen hen weleens voor. Drie op de tien grootouders geeft aan vaak of (bijna) altijd voor te lezen aan het kleinkind dat ze het vaakst zien. Vooral als ze een oppasfunctie vervullen, vindt het voorlezen regelmatig plaats (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.2).

Boeken worden eerder én anders gebruikt dan digitale media

Jonge kinderen maken, van alle media, als eerste kennis met boeken. 82% van de 0- tot 2-jarigen is reeds in aanraking geweest met (voorlees)boekjes. Op 3- tot 4-jarige leeftijd is dat percentage gestegen naar 95%, op 5- tot 6-jarige leeftijd naar 100%. Kinderen maken gemiddeld kennis met boeken als ze 2,2 jaar jong zijn. Voor de televisie is dat 2,4 jaar, voor de tablet 3,6 jaar, voor de smartphone 3,7 jaar, voor de e-reader 4,2 jaar, voor de laptop 4,3 jaar en voor de handheld spelcomputer 4,6 jaar (Mediawijzer & The Choice, 2017).

Hoger opgeleide ouders introduceren het boek als hun kind 1,9 jaar is. Bij lager opgeleide ouders gebeurt dat pas op 3-jarige leeftijd (Mediawijzer & The Choice, 2017).

In de meeste jonge gezinnen gebeurt het gebruik van boeken samen en van (digitale) schermmedia ‘alleen’. 11% van de 0- tot 6-jarigen leest of bekijkt een boekje meestal in zijn of haar eentje. Bij digitale verhaaltjes gaat het om 14%. Ter vergelijking: 30% van de 0- tot 6-jarigen bekijkt filmpjes meestal alleen, terwijl tussen de 20% en 30% allerhande spelletjes meestal alleen speelt (Mediawijzer & The Choice, 2017).

Ouders zijn dan ook actief bezig om het gebruik van boeken bij hun kinderen te stimuleren. 68% zegt vaak een voorleesboek uit de kast te pakken, meer dan de groep die de interactieve smart televisie (34%), tablet (31%) en gewone televisie (31%) aanprijst (Mediawijzer, 2016).

Wie lezen er voor, en hoe lang en hoe wordt er voorgelezen?

Het zijn met name Nederlanders tussen de 35 en 49 jaar, vrouwen en hoger opgeleiden die weleens voorlezen (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3; 2015.1). Voorlezers hebben over het algemeen een sterke affiniteit met de leescultuur. Ze lezen en kopen regelmatiger zelf boeken, hebben een rijker gevulde boekenkast en zijn vaker in het bezit van een bibliotheeklidmaatschap dan niet-voorlezers. Bovendien worden ze zelf vaker voorgelezen. Bij één op de vijf gebeurt dit weleens, terwijl het gaat om één op de twintig niet-voorlezers. Als kind is 91% van de voorlezers voorgelezen, tegen 74% van de niet-voorlezers (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Een voorleessessie duurt gemiddeld tussen de 5 en 15 minuten. Driekwart van de voorlezers besteedt per keer zoveel tijd aan het voorlezen. Een kleine 10% zegt meestal minder dan 5 minuten voor te lezen, terwijl 15% er meer dan een kwartier voor uittrekt. 80% van de voorlezers leest hetzelfde boek weleens meer dan één keer voor (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Voorlezen is vrijwel nooit zómaar voorlezen. Vrijwel alle voorlezers zoeken ook op andere manieren de interactie met degene aan wie ze voorlezen. 95% maakt lichamelijk en/of oogcontact en 91% gebruikt speciale gebaren en/of stemmetjes om de tekst te verduidelijken. Daarnaast ruimt 92% tijdens en 84% na afloop van de voorleessessie tijd in voor vragen en uitleg. Deze heeft betrekking op het verloop van het verhaal, de betekenis van moeilijke woorden en/of het aansluiten van de tekst op de belevingswereld (Stichting Lezen/GfK, 2014).