Voorleestijd

Bijna de helft van de Nederlanders leest weleens voor. Voorlezen vindt meestal plaats in de familiale sfeer, aan kinderen, kleinkinderen of neefjes en nichtjes. Er wordt het vaakst voorgelezen aan 0- tot en met 7-jarige kinderen. De helft van de Nederlandse ouders leest elke dag voor. Moeders lezen vaker voor dan vaders - van papier én digitaal. Ondanks de opmars van digitale media in het prille gezin, maken jonge kinderen nog altijd als eerste kennis met gedrukte boeken.

Frequentie

45% van de Nederlanders leest wel eens voor uit een boek. Dat is iets minder dan in 2014. Ook de frequentie waarmee Nederlanders voorlezen laat een lichte daling zien (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2015.1; Stichting Lezen/GfK, 2013). Als Nederlanders niet voorlezen, is dat vooral omdat er niemand is om dat aan te doen. 60% heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen, 40% geen volwassenen. Andere redenen die worden genoemd om niet voor te lezen, zijn 'niet van voorlezen houden' (15%), 'er weinig tijd voor hebben' (10%) en 'niet goed kunnen voorlezen' (5%) (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Voorleesfrequentie

In procenten van de Nederlandse bevolking

Vraagstelling luidt 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek?' In 2013: 'Leest u wel eens voor aan kinderen of volwassenen?' In 2011: 'Leest u wel eens voor uit een boek?'

Wie lezen er voor?

Het zijn met name mensen tussen de 35 en 49 jaar, vrouwen en hoger opgeleiden die voorlezen (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2015.1). Voorlezers hebben over het algemeen veel affiniteit met de leescultuur. Ze lezen regelmatig zelf boeken, hebben een rijk gevulde boekenkast, zijn in het bezit van een bibliotheeklidmaatschap en kopen regelmatig boeken. Voorlezers worden zelf ook vaak voorgelezen. Bij één op de vijf gebeurt dit weleens, terwijl het gaat om een op de twintig niet-voorlezers. Als kind is 91% van de voorlezers voorgelezen, tegen 74% van de niet-voorlezers (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Duur

Een voorleessessie duurt gemiddeld tussen de 5 en 15 minuten. Driekwart van de voorlezers besteedt per keer zoveel tijd aan het voorlezen. Een kleine 10% zegt meestal minder dan 5 minuten voor te lezen, terwijl 15% er meer dan een kwartier voor uittrekt. 80% van de voorlezers leest hetzelfde boek wel eens meer dan één keer voor (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Rol

Nederlanders die voorlezen doen dat vooral voor aan kinderen. Ze doen dat als ouder, grootouder of als een ander familielid. Voorlezen is dus een activiteit die volwassenen samen met kinderen ondernemen en die plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer. Het komt veel minder vaak voor dat partners elkaar voorlezen, of dat een volwassen kind de eigen ouders voorleest. Hetzelfde geldt voor voorlezen in andere rollen en situaties, zoals op school, in de bibliotheek of in de zorg (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Interactief

Voorlezen is vrijwel nooit zómaar voorlezen. Bijna alle voorlezers zoeken ook op andere manieren de interactie met degene aan wie ze voorlezen. 95% maakt lichamelijk en/of oogcontact en 91% gebruikt speciale gebaren en/of stemmetjes om de tekst te verduidelijken. Daarnaast ruimt 92% tijdens en 84% na afloop van de voorleessessie tijd in voor vragen en uitleg. Deze heeft betrekking op het verloop van het verhaal, de betekenis van moeilijke woorden en/of het aansluiten van de tekst op de belevingswereld (Stichting Lezen/GfK, 2014).

Ouders

De helft van de ouders met kinderen tussen de 0 en 18 jaar leest hen elke dag voor. Ouders lezen hun kinderen vooral voor als zij nog jong zijn. De breuklijn ligt na het zesde en zevende levensjaar, ongeveer het moment dat kinderen zelf leren lezen (zie de grafiek). Op latere leeftijd vinden ouders hun kinderen in toenemende mate 'te oud'. 31% van de ouders van 12-jarigen, 49% van de ouders van 14-jarigen en 64% van de ouders van 17-jarigen noemt dit als argument om niet meer voor te lezen (Stichting Lezen, 2015).

Het percentage ouders met 6- tot 12-jarige kinderen dat voorleest maakt wel een stijging door. In 2012 doet 40% dit dagelijks, tegen 28% in 2009. Het aantal ouders dat hun kind zelden tot nooit voorleest daalt over deze periode juist van 32% naar 19% (Ecorys & Oberon, 2013).

Voorlezen ouder aan kind, op dagelijkse basis

In procenten van de Nederlandse ouders

De tijd die ouders besteden aan voorlezen uit boekjes aan 0- tot 6-jarige kinderen, ligt op gemiddeld 41 minuten per dag. Voor stripboeken gaat het om een dagelijkse 25 minuten (Mediawijzer, 2016). Bij 0- tot 10-jarigen ligt de tijdsbesteding op gemiddeld bijna een half uur per dag (Stichting Mijn Kind Online & Mediawijzer, 2014).

Moeders en vaders

Moeders lezen vaker voor dan vaders. Terwijl 55% van de moeders dagelijks voorleest aan hun kind, doet 45% van de vaders dit. Beide ouders gaan minder vaak voorlezen als hun kind ouder wordt (Stichting Lezen, 2015). De voorleessessies van moeders duren langer dan die van vaders, en ze gebruiken vaker interactieve voorleestechnieken (Stichting Lezen/GfK, 2014). Moeders lezen vaker voor van papier én digitaal, hoewel het verschil met vaders bij papier groter is (Mediawijzer, 2016).

Er zijn ook verschillen tussen vaders en moeders in de boekgenres waaruit zij voorlezen. Terwijl vaders vaker voorlezen uit stripboeken (met name aan hun zoons), lezen moeders vaker voor uit prenten- en plaatjesboeken. Vaders en moeders lezen even vaak voor uit kinder- en jongerenboeken, informatieve boeken, tijdschriften en kranten. Er wordt door beide ouders veruit het vaakst voorgelezen uit verhalende boeken of fictie (met of zonder prenten) (Stichting Lezen, 2015).

49% van de kinderen wordt (volgens hun ouders) het liefst voorgelezen door hun moeder. 11% vindt het leuker om door hun vader te worden voorgelezen. De overige 41% heeft geen duidelijke voorkeur (Stichting Lezen/GfK, 2014). Er zijn geen verschillen in de frequentie waarmee zoons en dochters worden voorgelezen (Stichting Lezen, 2015).

Andere vrouwelijke familieleden, zoals grootmoeders en tantes, lezen ook vaker voor dan hun mannelijke evenknieën (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2011.1).

Grootouders

73% van de grootouders met kleinkinderen tussen de 0 en 12 jaar leest hen weleens voor. Drie op de tien grootouders geeft aan vaak of (bijna) altijd voor te lezen aan het kleinkind dat ze het vaakst zien. Vooral als ze een oppasfunctie vervullen, vindt het voorlezen zeer frequent plaats (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.2).

Voorlezen & andere media

Jonge kinderen maken, van alle media, het meeste gebruik van boeken. 56% van de 0-jarigen speelt regelmatig tot vaak met een (voorlees)boekje. Op 1-jarige leeftijd is dit gestegen naar 79%, op 2-jarige naar 90%, om op 5-jarige leeftijd op bijna 100% te komen. De televisie haalt het boek pas bij rond het vierde levensjaar, andere media (tablet, (spel)computer, e-reader) schoppen het pas ná het zesde levensjaar tot zo’n breed bereik (Stichting Mijn Kind Online & Mediawijzer, 2014). Ouders zijn ook actief bezig het gebruik van boeken door hun kinderen te stimuleren. 68% zegt vaak een voorleesboek uit de kast te pakken, meer dan de interactieve smart televisie (34%), tablet (31%) en gewone televisie (31%) (Mediawijzer, 2016).

Jonge kinderen zijn de laatste jaren steeds intensiever gebruik gaan maken van digitale media. Vooral hun gebruik van de tablet is enorm gegroeid. 0- tot 6-jarige kinderen brengen na de televisie met 62 minuten dagelijks de meeste tijd door met dit apparaat (47 minuten). Gedrukte boekjes staan op de derde plaats met 41 minuten (Mediawijzer, 2016).