Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Voorlezen

-> Kinderen profiteren van voorlezen voor hun taalvaardigheid, sociaal-emotionele, cognitieve en creatieve ontwikkeling en schoolloopbaan.

-> Ouders en andere leesopvoeders doen er goed aan met voorlezen te beginnen in de babytijd.

-> De winst van voorlezen groeit als het verhaal herhaald wordt voorgelezen, is voorzien van illustraties en als voorlezers de interactie zoeken, bijvoorbeeld door vragen te stellen of naar de tekst te wijzen

Een boost voor taal en lezen

Baby’s, peuters en kleuters die door hun ouders worden voorgelezen, ontwikkelen een voorsprong in hun taalontwikkeling. Voorlezen verklaart 8% van de verschillen tussen kinderen in woordenschat, ontluikende geletterdheid en beginnende leesvaardigheid. Dat blijkt uit een meta-analyse van 33 studies (Bus, Van Ijzendoorn, Pellegrini & Terpstra, 1994). Peuters die dagelijks 15 minuten worden voorgelezen, presteren later op school beter in taal en rekenen. Ook nemen kinderen die van jongs af aan worden voorgelezen, een voorsprong in hun cognitieve, sociaal-emotionele, lichamelijke en creatieve ontwikkeling (Murray & Egan, 2014Millenium Cohort Study, 2010; Kalb & Ours, 2013).

Voorlezen betaalt zich vooral uit in de eerste jaren van het taal- en leesonderwijs. Het helpt bij het leren lezen als kinderen thuis in aanraking zijn geweest met letters en woorden (Bus, Van Ijzendoorn, Pellegrini & Terpstra, 1994). De effecten reiken ten minste tot het eind van de basisschool. Dan lopen kinderen die als kleuter zijn voorgelezen nog altijd voor op leesvaardigheid en bredere cognitieve vaardigheden (Kalb & Ours, 2013).

De verworvenheden van voorlezen zijn zichtbaar in de hersenstructuur. Peuters en kleuters die vaak worden voorgelezen, vertonen meer activiteit in de hersengebieden voor visuele verbeelding en tekstbegrip (Hutton, Horowitz-Kraus, DeWitt & Holland, 2015).

Alle kinderen profiteren in dezelfde mate van voorlezen. Het maakt niet uit hoe hoog het opleidingsniveau of de sociale status van hun ouders is. Evenmin doet de moedertaal die zij thuis spreken ertoe voor het effect (Bus, Van Ijzendoorn, Pellegrini & Terpstra, 1994; National Early Literacy Panel, 2008). Voorlezen biedt specifieke voordelen voor temperamentvolle kinderen, die snel huilen, geïrriteerd raken en afgeleid zijn. Het brengt hen rust en verbetert de interactie tussen ouder en kind (Van den Berg & Bus, 2015).

Voorlezen heeft invloed op verschillende onderdelen van de taal- en leesvaardigheid. Kinderen leren een boek vasthouden, letters herkennen en de relatie tussen gesproken en geschreven woorden. Ook geeft voorlezen een impuls aan het ontwikkelen van het fonologisch bewustzijn, de mondelinge vaardigheden, de groei van de woordenschat, het verhaalbegrip en een positieve attitude tegenover het lezen. Het is vooral het rijke, veelzijdige en complexe taalgebruik in boeken dat hieraan bijdraagt (Duursma, 2008; Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Een vroege start loont

Het verdient de voorkeur om vroeg te beginnen met voorlezen. Hoe jonger kinderen zijn als hun ouders van start gaan met het voorleesverhaaltje, hoe groter hun woordenschat op 2-jarige leeftijd (Debaryshe, 1993). Baby’s die worden voorgelezen, lopen op een leeftijd van 15 maanden voor in hun taalontwikkeling, en breiden die voorsprong vervolgens verder uit (Van den Berg & Bus, 2015).

Het voorlezen van baby-tastboekjes lokt meer talige geluiden uit dan het spelen met poppen of speelgoed. 1-jarigen produceren bij deze activiteit meer klinker-tonen en meer combinaties van klinkers en medeklinkers. Dat komt zowel door de boekentaal als de interactie. Moeders reageren namelijk taliger op het talige gebrabbel van hun baby. Ze imiteren het ‘ba-ba’ of breiden het zelfs uit tot ‘bal’. Blijkbaar denken ze dat hun kind probeert te praten, en passen ze hun reactie daarop aan, om (bewust of onbewust) de taalontwikkeling te stimuleren (Gros-Louis, West & King, 2016).

Het nut van herhaling

Het resultaat van voorlezen groeit als er vormen van herhaling zijn. Dat is het geval als hetzelfde verhaal meerdere keren wordt voorgelezen, of wanneer dezelfde woorden meermaals voorkomen in de tekst. Herhaling zorgt er niet alleen voor dat kinderen méér woorden leren, maar ook dat hun begrip van de woorden diepgaander is (Damhuis, 2014).

De steun van illustraties

Veel kinderboeken zijn uitgerust met prenten en illustraties. Deze geven extra informatie in de vorm van visuele details, en fungeren zo als ondersteuning voor het voorgelezen verhaal. Jonge kinderen kunnen daardoor moeilijke, onbekende woorden beter onthouden en het verhaal beter begrijpen. Prenten bieden in het bijzonder hulp als tekst en beeld dichtbij elkaar staan – zowel in de ruimte (op dezelfde pagina) als in de tijd (in de chronologie van het verhaal). Dat maakt het voor kinderen gemakkelijker om de verbale en de non-verbale informatie te integreren (Sadoski & Paivio, 2004).

Interactief voorlezen geeft extra impuls

Als voorlezers de interactie zoeken met het kind, krijgt de taal- en leesvaardigheid een extra impuls. Kleuters die vragen krijgen over afbeeldingen, karakters en gebeurtenissen in het verhaal, boeken in een meta-analyse van 16 studies meer vooruitgang op hun woordenschat dan kleuters die ‘normaal’ worden voorgelezen. Het positieve effect is kleiner als kinderen ouder zijn (5 tot 6 jaar in plaats van 2 tot 4 jaar) en een verhoogd risico lopen op taal- en leesachterstanden (Mol, 2010).

Voor risicokinderen ligt de oorzaak van het geringere effect mogelijk bij hun ouders, die vaak taalproblemen hebben. Daardoor zijn zij minder goed in staat om een dialoog rond het verhaal te voeren. Risicokinderen hebben namelijk wel baat bij interactief voorlezen door de leerkracht op de peuterspeelzaal, kleuterschool of onderbouw van de basisschool. Dat verklaart volgens een meta-analyse van 33 studies 7% van de verschillen in woordenschatgroei, zowel voor peuters als voor kleuters (Mol, 2010Swanson et al, 2011).

Interactief voorlezen op school werkt optimaal in kleine groepen van één tot drie kinderen. Dat genereert meer vragen, reacties en commentaar dan interactief voorlezen voor de hele klas (vijftien kinderen of meer) (Morrow & Smith, 1990). Docenten die hetzelfde boek herhaald voorlezen stimuleren het begrip. Hetzelfde is het geval als zij moeilijke woorden uitleggen (bijvoorbeeld met behulp van synoniemen) (Swanson et al, 2011).

Vragen stellen: van makkelijk naar moeilijk

Er zijn verschillende manieren om vragen te stellen in een voorleessessie. Voorlezers kunnen beschrijvende vragen stellen, gericht op het halen van feitelijke informatie uit de tekst (bijvoorbeeld de naam van een personage). Daarnaast zijn meer analytische vragen mogelijk, gericht op het leggen van verbanden en het maken van inferenties (bijvoorbeeld het karakter van een personage). Bovendien kunnen deze vraagvarianten tijdens of na afloop van het verhaal worden gesteld (Shealy & Cook, 2009).

Peuters leren dankzij deze manieren van vragen stellen meer nieuwe woorden dan kinderen die zonder vragen worden voorgelezen. Het doet er voor het effect niet toe of de vragen beschrijvend of analytisch zijn, en evenmin of ze tijdens of na afloop gesteld worden. Wel helpt het om te beginnen met makkelijke, beschrijvende vragen over nieuwe woorden, en deze gedurende de sessie moeilijker, analytischer te maken. Peuters zijn dan na afloop beter in staat om deze woorden te reproduceren (Shealy & Cook, 2009).

Naar de tekst wijzen helpt

Kinderen kijken tijdens het voorlezen uit zichzelf nauwelijks naar de geschreven tekst. Daarom kunnen voorlezers er expliciet naar verwijzen, met opmerkingen en hand- en armgebaren. Kinderen beginnen hun schoolcarrière dan met een grotere kennis van geschreven taal. Zelfs na twee schooljaren profiteren ze nog, in vergelijking met een ‘gewone’ voorleesgroep: op technisch lezen, spelling en tekstbegrip (Piasta, Justice, McGinty, Kaderavek, 2012).