Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Waarom lezen we minder boeken?

-> In een tijd waarin media om aandacht vechten, lijkt het logisch dat het boek het moeilijk heeft. Er bestaat beperkt bewijs voor deze 'verdringingshypothese'.

-> De dalende leestijd laat zich sterker verklaren door de specifieke mediavoorkeuren van opeenvolgende generaties.

Het boek heeft te duchten van andere media

Als boosdoener voor de dalende leestijd van boeken wordt vaak gewezen naar de opkomst van nieuwe media. Eerst was er de televisie, die sinds de jaren 60 een steeds groter deel van onze dagelijkse uren opslokt. Nederlanders brachten in 1975 gemiddeld 10 uur per week achter de beeldbuis door. Tot 2011 liep dat op naar 14 uur per week, een stijging van 40%. Het totale mediabudget bleef ondertussen nagenoeg even omvangrijk, op een wekelijkse 19 à 21 uur (De Haan & Sonck, 2013).

De afgelopen twintig jaar dienden zich nog meer rivalen aan met een schermpje: computers, laptops, tablets en smartphones. De tijd die Nederlanders doorbrengen met deze digitale media lag in 2011 op 4 uur, vier keer zoveel als in 1995. In 2011 gaat 12% van de mediatijd naar het lezen (De Haan & Sonck, 2013); in het tijdsbestedingsonderzoek ‘nieuwe stijl’ is dat 8% (Sonck & De Haan, 2015). Ter vergelijking: in 1975 ging het nog om 33% (De Haan & Sonck, 2013).

Tijdsbesteding media

In uren per week door de Nederlandse bevolking

Het idee dat media elkaar beconcurreren om onze schaarse vrije tijd, is terug te voeren op de ‘time replacement’-hypothese. Wie meer tijd gaat besteden aan een nieuwe activiteit, houdt automatisch minder tijd over voor de bestaande routines. Hoewel dit voor de wisselwerking tussen boeken en de televisie inderdaad is aangetoond (Knulst & Kraaykamp, 1996), vertelt het niet het hele verhaal. Of er sprake is van vervanging, hangt namelijk sterk af van de persoon in kwestie. Verschillende gebruikersgroepen houden er hun eigen voorkeuren en gewoonten op na (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004). In de jaren 80 breidden mensen geboren in de jaren 50 hun lees- én televisietijd uit, terwijl de jongere generaties meer gingen kijken en juist minder gingen lezen (Knulst & Kraaykamp, 1996). De mediamenu’s anno nu lopen zo mogelijk nog sterker uiteen. Er bestaan inderdaad tieners die zweren bij online communicatiediensten en die het boek links laten liggen. Maar zij verkeren in goed gezelschap van ‘omnivoren’, die verschillende media intensief naast elkaar gebruiken, en ‘laag-frequente gebruikers’, die überhaupt niet van media houden (Huysmans, 2013; Van Kruistum, 2013).

Elke generatie maakt een andere mediasocialisatie door

Er is nog een tweede hypothese die de dalende leestijd beter verklaart: mediasocialisatie. Dat idee laat zich nog het beste samenvatten met het spreekwoord “jong geleerd is oud gedaan.” Mensen blijven in hoge mate trouw aan de media waarmee zij zich op jonge leeftijd omringen. Aangezien de oudere generaties opgroeiden in een vrije kaal medialandschap, met boeken als centrale spil, zijn zij beter in staat zich lezend te vermaken dan de jongere generaties (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004; Knulst & Kraaykamp, 1996). Het zijn dan ook met name mensen boven de 50 jaar die met een zekere regelmaat een boek ter hand nemen.

Betekent dat dat er vergrijzing optreedt, en het lezen van boeken over een aantal generaties onverbiddelijk uitsterft? Die conclusie lijkt overdreven. In de geschiedenis van de media wordt 'oud' zelden volledig verdrongen en vervangen door 'nieuw'. De vervanging die optreedt, is gedeeltelijk en verloopt geleidelijk: oude media leveren tijd in, de nieuwe winnen aan bereik (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004). Op basis daarvan ligt het voor de hand dat het lezen van boeken in de toekomst verder terrein prijsgeeft, maar niet dat het helemaal zal verdwijnen.