Invloed voorlezen
Kinderen die op jonge leeftijd worden voorgelezen, profiteren daarvan in het leren van nieuwe woorden en het zelf leren lezen. Als ze met hun voorlezende ouder of leerkracht over het verhaal praten, boeken ze nóg meer woordenschatwinst.
Het positieve effect van lezen voor het plezier begint op jonge leeftijd. Een meta-analyse van 33 internationale voorleesonderzoeken (Bus, 1994) wijst uit dat 0- tot 6-jarige kinderen die worden voorgelezen, vaardiger lezers worden dan leeftijdsgenootjes die niet zijn voorgelezen. Voorlezen blijkt 8% van de verschillen in de groei van woordenschat, ontluikende geletterdheid en beginnende leesvaardigheid te kunnen verklaren.
Het maakt niet uit of kinderen uit milieus met een lage, gemiddelde of hoge sociaal-economische status komen de positieve werking van voorlezen geldt in dezelfde mate. Ook blijft het effect bestaan naarmate kinderen ouder worden, al neemt de kracht ervan wat af. Ze hebben vooral voor de eerste jaren van het taal- en leesonderwijs baat bij voorlezen (Bus, 1994). Wel helpt het om vroeg te beginnen. Hoe jonger kinderen zijn als hun ouders beginnen met voorlezen, hoe groter hun woordenschat op 2-jarige leeftijd (Debaryshe, 1993).
Het effect van voorlezen geldt op verschillende onderdelen van de taal- en leesvaardigheid. Kinderen leren een boek vast te houden, letters herkennen en dat het geschreven woord het gesproken woord weergeeft. Ook helpt voorlezen bij het ontwikkelen van het fonologisch bewustzijn, mondelinge vaardigheden, woordenschatgroei, verhaalbegrip en een positieve attitude tegenover het lezen. Het is vooral het rijke en veelzijdige taalgebruik in boeken dat hieraan bijdraagt (Duursma, 2008).
Interactief
Het effect van interactief voorlezen is nog gunstiger, zo blijkt uit een meta-analyse van 16 studies (Mol, 2010). Kleuters aan wie vragen worden gesteld over afbeeldingen, karakters en gebeurtenissen in het verhaal, boeken meer vooruitgang op hun woordenschat dan kleuters die normaal worden voorgelezen. Twee groepen profiteren niet van het interactieve element: oudere kleuters (5 en 6 jaar) en kinderen met een verhoogd risico op taal- en leesachterstanden.
Dat laatste is mogelijk te wijten aan de ouders uit achterstandsgezinnen, die minder goed in staat zijn om het interactief voorlezen vorm te geven. Er bestaat dan ook wél een positief effect als deze taak wordt overgenomen door leerkrachten op de peuterspeelzaal of de kleuterschool. Interactief voorlezen in de schoolse situatie kan, volgens een meta-analyse van 33 studies (Mol, 2010), 7% van de woordenschatgroei bij risicopeuters en kleuters verklaren.
Hoe de interactieve voorleessessie er precies uitziet, blijkt weinig uit te maken. Peuters hebben zowel baat bij vragen die beschrijvend (gericht op het halen van feitelijke informatie uit de tekst, zoals de naam van een personage) als analytisch (gericht op het leggen van verbanden en het maken van inferenties, zoals het karakter van een personage) van aard zijn. Deze kunnen tijdens of na afloop van het verhaal gesteld worden. In al deze gevallen leren kinderen met een gemiddeld taalniveau ongeveer evenveel nieuwe woorden, maar is hun vocabulairegroei groter dan die van een niet-interactieve voorleesgroep (Shealy & Cook, 2009).
Het helpt wel als voorlezers beginnen met makkelijke, beschrijvende vragen over nieuwe woorden, en deze gedurende de sessie moeilijker, analytischer maken. Peuters zijn na afloop dan in staat deze woorden beter te produceren (Shealy & Cook, 2009).



