Wie zijn vaardige lezers?

Meisjes zijn vaardiger in lezen dan jongens. Autochtonen presteren beter dan allochtonen. Zowel de sociaal-economische achtergrond als de schoolkeuze is sterk bepalend voor de leesvaardigheid.

Geslacht

Zowel 15-jarige als 10-jarige meisjes zijn significant betere lezers dan jongens op deze leeftijden, met een verschil van gemiddeld 39 punten in PISA (Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010) en 17 punten in PIRLS (Mullis, O. Martin, Kennedy & Foy, 2007). In Nederland is het verschil tussen de seksen met 25 punten in PISA (15-jarige jongens 496 punten; meisjes 521 punten) en 8 punten in PIRLS (10-jarige jongens 543 punten; meisjes 551 punten) relatief gezien kleiner, maar eveneens significant.

De betere prestaties van meisjes gelden voor alle drie de PISA-onderdelen: voor het zoeken en vinden van informatie, voor het interpreteren van teksten en voor het reflecteren en evalueren op teksten (Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010).

Klik hier om te vergroten

Nederlandse meisjes lopen ongeveer een half vaardigheidsniveau ofwel één heel schooljaar voor op jongens. De seksekloof groeit naarmate kinderen ouder worden: voor een meisje is het op 10-jarige leeftijd 1,4 keer zo waarschijnlijk dat ze een vaardige lezer wordt als voor een jongen. Op 15-jarige leeftijd is deze kans gestegen naar 1,6 keer (Eurydice, 2011).

Meisjes in groep 8 presteren, volgens het jaarlijkse nationale Cito PPON onderzoek van 2010, op alle talige onderdelen beter dan jongens. De achterstand die ze hadden op woordenschat buigen ze in 2010 voor het eerst om in een lichte voorsprong, zij het niet significant. Op spelling en begrijpend lezen scoren ze wel significant hoger dan jongens (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011).

Het verschil tussen de seksen ontstaat in een vroeg stadium. In groep 4 presteren meisjes significant hoger op spelling en begrijpend lezen, terwijl de prestaties voor woordenschat ongeveer gelijk zijn aan die van jongens (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011). In Amerikaans onderzoek onder lagere inkomensgezinnen zijn zelfs al op een leeftijd van 14, 24 en 36 maanden verschillen in taalbegrip en woordenschat gevonden tussen meisjes en jongens (Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Voor digitaal lezen is de geslachtskloof geringer. Bij zestien deelnemende landen aan een aanvullende PISA-enquête, waar Nederland overigens niet bij hoort, scoren meisjes gemiddeld 24 punten hoger. Voor het lezen van papier is het verschil voor deze landen 38 punten. Dit wordt vooral veroorzaakt door de relatief betere online zoek- en navigatievaardigheden van jongens. Overigens hangen de twee vormen van geletterdheid nauw met elkaar samen: hoe hoger de PISA-score op lezen van papier, hoe hoger de score op lezen van het scherm (PISA in Focus, 2012).

Sociale status

14% van de verschillen in leesprestaties van 15-jarigen in PISA kunnen worden verklaard door hun sociaal-economische achtergrond. In Nederland is dat 12,8%, een percentage dat niet significant afwijkt van het gemiddelde van de 65 deelnemende landen. Wel bevindt Nederland zich in het cluster landen dat hoog scoort op leesvaardigheid én waar de invloed van de sociaal-economische achtergrond gering is. Nederlandse leerlingen uit armere, lager opgeleide gezinnen hebben in vergelijking met Duitsland en België meer kans om een vaardige lezer te worden, en minder in vergelijking met de Scandinavische landen Finland en Noorwegen (OECD, 2011).

Etniciteit

Kinderen presteren verschillend op leesvaardigheid, afhankelijk van hun sociaal-culturele identiteit. De PISA-score van Nederlandse 15-jarige autochtonen ligt op 515 punten. Eerste generatie allochtonen scoren op die leeftijd 44 punten lager, tweede generatie allochtonen zelfs 46 punten. Voor Nederland verdwijnt dit verschil als de sociaal-economische achtergrond buiten beschouwing wordt gelaten. De verklaring voor hun slechtere leesprestaties schuilt dus in het lagere inkomen en opleidingsniveau van allochtone gezinnen (OECD, 2011).

De etniciteitskloof bestaat al aan het eind van de basisschool. Autochtone leerlingen met middelbaar tot hoger opgeleide ouders scoren, volgens het jaarlijkse nationale Cito PPON onderzoek van 2010, in groep 8 op alle talige onderdelen hoger dan autochtone achterstandsleerlingen én allochtone achterstandsleerlingen. Autochtone achterstandsleerlingen scoren weer hoger dan allochtone achterstandsleerlingen, behalve op het onderdeel spelling (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011).

Deze verschillen zijn ook zichtbaar in de prestaties van onderwijsinstellingen. Scholen met bijna uitsluitend allochtone leerlingen behalen de laagste scores op zowel woordenschat, spelling als begrijpend lezen, gevolgd door scholen met overwegend achterstandsleerlingen (autochtoon en allochtoon) en scholen met weinig achterstandsleerlingen (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011).

Leerkrachten op hoofdzakelijk allochtone scholen hebben lagere verwachtingen op het gebied van lezen en schrijven. Daardoor wordt er in kleuterklassen met veel allochtone leerlingen minder tijd besteed aan geschreven taal dan in kleuterklassen met weinig allochtone leerlingen. Allochtone kinderen krijgen vanaf jonge leeftijd dus ook minder kansen, wat zich weer vertaalt in slechtere leesprestaties aan het eind van groep 3 (Stoep, 2008).

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Thuistaal

Groep 8-leerlingen bij wie thuis alleen Nederlands wordt gesproken, presteren volgens het jaarlijkse nationale CITO PPON onderzoek van 2010 het beste op zowel woordenschat, spelling als begrijpend lezen. Leerlingen die zowel Nederlands als een andere taal spreken met hun ouders, doen het op deze talige onderdelen weer beter dan leerlingen die thuis alleen een andere taal spreken. Deze verschillen komen in groep 4 al aan het licht (Hemker, Kordes, Van Weerden, 2011).

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Klik hier om te vergroten

Schoolkeuze

Nederland staat in de Europese top 4 van het verband tussen schoolkeuze en leesvaardigheid. 62% van de verschillen in leesprestaties van Nederlandse 15-jarige leerlingen in PISA laat zich verklaren door verschillen tussen scholen, 38% door verschillen tussen leerlingen. Het kwaliteitsniveau van Nederlandse scholen loopt dus sterk uiteen, en de schoolkeuze bepaalt in hoge mate of iemand uitgroeit tot een vaardige lezer. Nederland bevindt zich in het gezelschap van Duitsland, België, Hongarije en Slovenië. In de Scandinavische landen, met percentages rond de 10%, doet het er voor de leesprestaties juist weinig toe op welke school een leerling zit (Eurydice, 2011).

  • print