Digitale kinderboeken
Het (voor)lezen van digitale kinderboeken heeft een positief effect op het verhaalbegrip, de taalontwikkeling en de woordenschat.
Digitale kinderboeken bezitten extra vertelmiddelen die in een gedrukt boek niet mogelijk zijn, zoals filmpjes, een gesproken versie en een woordenboek. Deze komen het begrip, de taalontwikkeling en de woordenschat ten goede, mits ze relevant zijn voor het verhaal. Het positieve effect is vooral gemeten bij kinderen die achterlopen in hun taal- en leesontwikkeling (Bakker, 2009).
Begrip
Beginnende lezers ondervinden steun aan een gesproken naast een geschreven tekst. Als ze het verhaal gelijktijdig lezen én horen, houden ze meer cognitieve energie over om het te begrijpen. De voorleesfunctie helpt hen met name bij moeilijke woorden en zinnen (Pearman, 2008). Voor kleuters maakt het geen verschil of ze door een digitaal boek dan wel door een ouder, leerkracht of andere volwassene worden voorgelezen: hun verhaalbegrip is in beide gevallen even goed (De Jong & Bus, 2004).
Kleuters hebben profijt van een visuele uitbeelding van het verhaal. Statische illustraties helpen, maar het effect van bewegende beelden is nog groter. Deze maken het makkelijker voor immigrantkinderen, die Nederlands als tweede taal leren, om niet alleen de gebeurtenissen zelf, maar ook de oorzaken en gevolgen daarvan te begrijpen (Verhallen, Bus & De Jong, 2004).
Uit oogbewegingonderzoek blijkt dat de tekst grotendeels bepaalt waarnaar kleuters kijken. Zo fixeren ze frequenter en langer op de onderdelen van het filmpje die ook worden beschreven. Daarnaast hebben ze meer oog voor de verhaalpersonages, of dat nu mensen, dieren of fantasiewezens zijn (Verhallen & Bus, 2011).
Woordenschat
Kleuters die een verhaal krijgen voorgelezen en in filmpjes verbeeld zien, boeken meer vooruitgang op hun woordenschat (Verhallen & Bus, 2010). Dit geldt met name voor kinderen met een relatief grote woordkennis. Zij blijven, ook na meerdere keren voorlezen, geboeider door de levende (filmpjes) dan door de statische (prenten) boeken (Smeets & Bus, 2009).
Met een interactieve voorleesversie is de woordenschatwinst nog groter. Als kinderen tijdens óf na afloop van het verhaal meerkeuzevragen moeten beantwoorden, leren ze 18% méér nieuwe woorden bij dan een groep die alleen wordt voorgelezen. Dit effect is vergelijkbaar met een interactief voorlezende ouder (Smeets & Bus, 2012).
Een woordenboek op het digitale kinderboek, in de vorm van aanklikbare hotspots met woordbetekenissen, zorgt ook voor een uitbreiding van het vocabulaire. Dit is echter alleen het geval als kleuters al enigszins bekend zijn met de woorden. Zijn de woorden helemaal nieuw, dan helpen alleen meerkeuzevragen om ze onder de knie te krijgen (Smeets & Bus, 2012).
Games
Een overdaad aan interactieve mogelijkheden komt het verhaalbegrip niet ten goede. Het risico is dat kinderen de tekst negeren als het digitale boek spelletjes of grappige animaties bevat. Daardoor komen ze in een speelhouding in plaats van in een leeshouding terecht. In een experiment waarin dit getoetst werd, onthield de 'gewone' voorleesgroep het verhaal beter dan de door de computer voorgelezen groep (Bus, 2005).



