Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Inrichting literatuuronderwijs

-> De canon en de literatuurgeschiedenis hebben baan gemaakt voor de literaire competentie en het leesplezier.

-> De leeslijst is over het algemeen niet volledig verplicht, maar komt in overleg met de leerlingen tot stand.

Literaire competentie en leesplezier staan voorop

Het literatuuronderwijs in Nederland richt zich op de individuele ontplooiing van kinderen. Docenten streven ernaar om hun leerlingen positieve leeservaringen te laten opdoen en zichzelf literair en persoonlijk te laten ontwikkelen. 48% van de docenten Nederlands op havo en vwo wil met literatuuronderwijs de literaire competentie vergroten. 46% streeft ernaar om het leesplezier te stimuleren, terwijl 35% graag ziet dat leerlingen persoonlijke groei doormaken (het ‘mens worden’) (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Drie op de tien docenten vinden het kennis maken met de literaire canon, het leren van technieken voor verhaalanalyse en het leren van literaire begrippen belangrijk. Voor twee op de tien docenten is de literatuurgeschiedenis een voorname doelstelling (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Het is opmerkelijk dat ‘literaire begrippen’ en ‘literatuurgeschiedenis’ relatief laag scoren in prioriteit. Deze begrippen spelen namelijk een centrale rol in de exameneisen. Ze worden wel het meeste getoetst - met name in de bovenbouw van havo en vwo (Oberon, 2016).

Een derde exameneis betreft ‘literaire vorming’. Dat kan worden vertaald als literaire competentie, de doelstelling die de meeste prioriteit krijgt. In de literaire competentie vloeien het leesplezier en de literaire ontwikkeling samen. Het streven is dat leerlingen, door het lezen van boeken die op of net boven hun literaire niveau liggen, steeds een treetje hoger zetten. Daardoor houden ze plezier in lezen én kunnen ze zichzelf literair ontwikkelen. Dat voorkomt dat ze afhaken als lezer omdat ze snel moeten overschakelen naar complexe literaire werken uit de canon, zoals in het verleden vaak gebeurde.

Docenten zijn de literaire competentie als doelstelling van het literatuuronderwijs in de loop der jaren belangrijker gaan vinden. Tussen 2001 en 2011 is de aandacht voor leesplezier gedaald (van 42% naar 21% als voornaamste doel), ten faveure van de literair-esthetische vorming (van 12% naar 23%) (Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harkst, 2005; Sikkema, 2013).

Leeslijst komt in samenspraak met leerlingen tot stand

In 2001 bepaalden de meeste docenten de te lezen boeken voor school in overleg met hun leerlingen (Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harkst, 2005). Vijftien jaar later is dat op veel scholen uitgegroeid tot de staande praktijk. Acht op de tien docenten Nederlands op havo en vwo laat leerlingen zelf titels kiezen, om die vervolgens te keuren. De helft laat leerlingen (daarnaast) boeken kiezen uit een titellijst die door de school wordt aangedragen. 30% schrijft alle boeken zelf voor, zonder keuzemogelijkheid voor de leerlingen (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

De te lezen boeken behoren voor het grootste deel tot de oorspronkelijk Nederlandstalige volwassenenliteratuur. Dat is met name het geval in de bovenbouw van havo en vwo (Oberon, 2016). 67% van de docenten Nederlands op havo en vwo verbiedt vertaalde literatuur helemaal; 45% doet dat met kinderboeken. De belangrijkste eis die aan de te lezen boeken wordt gesteld, is een door de school bepaald literair niveau. 67% van de docenten houdt hier rekening mee in het keuren van boeken. 55% vereist daarbij dat het literaire niveau aansluit op de literaire competentie van de leerling. Dat het boek deel uitmaakt van de literaire canon speelt bij 44% van de docenten een rol (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

In de bovenbouw van het vwo laten docenten leerlingen gemiddeld 13 boeken lezen (de landelijke norm is 12). Op de havo zijn dit er 9 (de landelijke norm is 8). De meest voorkomende toetsvormen zijn de creatieve verwerkingsopdracht en de mondelinge presentatie, klassikaal of één-op-één (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

In de onderbouw van havo en vwo wordt 15% van de lestijd besteed aan literatuur, in de bovenbouw loopt dat op tot 25%. De sectie Nederlands is op de meeste scholen verantwoordelijk voor het bepalen van het aantal lesuren. Bijna zes op de tien docenten stemt zijn literatuuronderwijs af op de referentieniveaus voor het lezen van fictionele, narratieve en literaire teksten (Oberon, 2016).