Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Leesopvoeding ouders

Een intensieve leesopvoeding draagt bij aan geletterdheid en maatschappelijk succes. Kinderen van ouders die vaak lezen, voorlezen en een volle boekenkast hebben, lezen zelf vaker, zijn leesvaardiger en schoppen het verder in het onderwijs. Met name hoger opgeleide ouders besteden aandacht aan de leesopvoeding. Overheidsprogramma's voor geletterdheid en leesbevordering kunnen achterstanden van risicogezinnen voorkomen.

(Voor)leesgedrag

Jong geleerd is oud gedaan: dat spreekwoord gaat ook op voor het lezen. Kinderen die zijn opgegroeid in een rijke leesomgeving, groeien zelf vaak ook uit tot fervente lezers. Zij lezen op volwassen leeftijd niet alleen vaker detectives en romantische fictie, maar ook Nederlandstalige en vertaalde literatuur. In de eerste plaats geven ouders het goede voorbeeld. Als zij regelmatig een boek lezen, spiegelen hun kinderen zich aan dat gedrag. Ten tweede bieden ouders directe begeleiding. Als zij hun kinderen voorlezen en met hen praten en discussiëren over boeken, stimuleren ze het leesplezier (Notten, 2012).

De directe begeleiding vangt aan met voorlezen. 10- tot 19-jarigen die op jonge leeftijd door hun ouders zijn voorgelezen, vinden lezen plezieriger, lezen vaker zelf en lopen een minder diepe leesdip op in de puberteit. De kloof met niet-voorgelezenen is bij jongens groter dan bij meisjes – met name voor hen doet voorlezen ertoe (Stiftung Lesen, 2011). Ook andere activiteiten hebben een gunstige uitwerking. Ouders die met hun kinderen praten over boeken, hen boeken cadeau geven en met hen naar de boekhandel en de bibliotheek gaan, stimuleren het leesgedrag en de leesmotivatie (Huysmans, 2013Nielen & Bus 2016).

Schoolloopbaan

Een intensieve leesopvoeding geeft de onderwijsloopbaan een boost. Kinderen die hun ouders regelmatig zien lezen, met name als het gaat om Nederlandstalige en vertaalde literatuur, boeken betere prestaties op school. Het effect is nog sterker als ze, naast het 'goede' voorbeeld, ook directe begeleiding hebben gekregen, in de vorm van voorlezen en discussies over boeken (Notten, 2012). Een ouderlijk voorbeeld van lezen is voor de onderwijsprestaties belangrijker dan museum- of theaterbezoeken (De Graaf, De Graaf & Kraaykamp, 2000).

Leesvaardigheid

Een intensieve leesopvoeding draagt bij aan de algehele geletterdheid en belezenheid. Middelbare scholieren die vaak zijn voorgelezen of vaak samen hebben (stil) gelezen samen met hun ouders, boeken betere leesprestaties. Ze scoren in PISA 25 punten hoger dan leeftijdsgenootjes die dat onregelmatig of helemaal niet deden, gelijk aan een half jaar leesonderwijs. Behalve boeken (voor)lezen helpt ook het vertellen van verhalen en het voeren van gesprekken over de dag, al zijn de effecten daarvan geringer (PISA in Focus, 2011).

Dezelfde bevindingen zijn gedaan bij basisscholieren. Ook zij zijn vaardiger lezers als hun ouders hen voorlezen en verhaaltjes vertellen. Hoewel de leesvaardigheid van basisscholieren de laatste tien jaar is teruggelopen, geldt dat in mindere mate voor kinderen met een rijk leesklimaat thuis (Netten, 2014).

Het verband tussen de thuissituatie en de vaardigheid is er niet voor rekenen. Terwijl de basis voor geletterdheid wordt gelegd door het voorbeeld en de begeleiding van ouders, is het opbouwen van rekenvaardigheid veel meer een schoolse activiteit (Netten, 2014).

Ouders spelen ook bij het leren lezen een positieve rol. Door zich betrokken te tonen bij de school, ondersteunen ze de juf of meester. Ze kunnen dat doen door hun kind voor te lezen, naar de leeskunsten van hun kind te luisteren, of samen met hun kind hardop te lezen. Het meest effectief zijn ze als ze hun kind specifieke leesvaardigheden aanleren, zoals het alfabet of het beheersen van nieuwe woorden. Zowel lezers met een normale ontwikkeling als achterstandsleerlingen hebben hierbij baat voor hun leesvaardigheid; het profijt is hetzelfde voor kinderen uit alle sociale milieus (Sénéchal, 2006).

Boekenbezit

Behalve het voorbeeld en de begeleiding is ook een goed gevulde boekenkast van belang. Kinderen die thuis de beschikking hebben over een breed en gevarieerd aanbod aan boeken, presteren beter op school (Notten, 2012). De onderwijsloopbaan van kinderen uit boekrijke gezinnen duurt gemiddeld drie jaar langer dan die van kinderen uit boekarme gezinnen, ook als rekening wordt gehouden met verschillen in opleidingsniveau, werk en sociaaleconomische achtergrond. Boekenbezit gaat waarschijnlijk gepaard met een sterkere waardering voor de schoolse cultuur en onderwijsprestaties. Vooral kinderen uit laagopgeleide gezinnen hebben baat bij een goed gevulde boekenkast. Bij hen is de samenhang tussen hun schoolcarrière en het aantal boeken in huis sterker dan bij kinderen uit hoogopgeleide gezinnen (Evans et al., 2010).

Het boekenbezit heeft minder invloed dan de leesbegeleiding. Als ouders het leesplezier, de leesvaardigheid en de onderwijscarrière van hun kinderen willen stimuleren, doen ze er in de eerste plaats goed aan om hen regelmatig voor te lezen (Gottfried et al., 2015).

Hoe verder een land zich cultureel, technologisch en economisch heeft ontwikkeld, hoe bepalender de aanwezigheid van boeken in huis is voor de onderwijsloopbaan (Notten, 2012). Voor Nederland, als kennis- en diensteneconomie, is de aanwezigheid van goed gevulde boekenkasten dus bij uitstek van belang. Nederlanders bezitten gemiddeld genomen een behoorlijke hoeveelheid boeken.

Kloof in opleidingsniveau

Hoger opgeleide ouders besteden meer aandacht aan leesopvoeding dan lager opgeleide ouders. In de eerste plaats geven zij hun kinderen vaker het goede voorbeeld. Zij lezen zelf vaker Nederlandstalige en vertaalde literatuur (serieus voorbeeld) en detectives en romantische fictie (populair voorbeeld) – al is de kloof met lager opgeleiden in het laatste geval kleiner. Daarnaast besteden hoger opgeleide ouders meer tijd aan de directe leesbegeleiding. Zij lezen hun kinderen vaker voor en discussiëren vaker met hen over boeken (Notten, 2012). Tot slot halen ze meer leesmaterialen in huis, waaronder prenten- en kinderboeken (Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Hoger opgeleide ouders onderscheiden zich ook positief in hun alledaagse taalgebruik. Hun kinderen horen per uur gemiddeld 2.153 woorden. Bij middelbaar opgeleide ouders gaat het om 1.251 woorden; bij lager opgeleide ouders om 616 woorden. Dit vertaalt zich in de woordenschat van hun kroost. Terwijl kinderen van hoger opgeleide ouders op 3-jarige leeftijd 1.100 woorden beheersen, gaat het bij kinderen van middelbaar opgeleide ouders om 750 en bij kinderen van lager opgeleide ouders om 500 woorden (Hart & Risley, 1995). Deze kloof groeit naarmate kinderen ouder worden. Tussen 1,5- en 2-jarige leeftijd leren kinderen van hoger opgeleide ouders 30% méér nieuwe woorden bij dan kinderen van lager opgeleide ouders (Fernald, Marchman & Weisleder, 2012). Daardoor dreigt een Matteüs-effect: de rijk-geletterde kinderen worden rijker, de arm-geletterde kinderen armer.

Toch zijn ook bínnen de opleidingsniveaus de verschillen omvangrijk. Zo varieert het aantal woorden dat lager opgeleide ouders dagelijks gebruiken tussen de 2.000 en 30.000. Het opleidingsniveau blijkt dan ook niet de voornaamste voorspeller van de taalontwikkeling van kinderen. Belangrijker zijn de gevarieerdheid én de kwaliteit van het taalaanbod. Het helpt met name als ouders rechtstreeks de interactie zoeken, bijvoorbeeld over gedeelde symbolen (‘Kijk, een hond!’, ‘Ja, dat is een bus!’) en rituelen (‘Wil je na de fles naar bed?’, ‘Papa gaat nu een verhaaltje vertellen.’). Onderlinge conversaties in het bijzijn van de kinderen hebben geen effect (Weisleder & Fernald, 2013).

Het opleidingsniveau is niet het enige gezinskenmerk dat de leesopvoeding bepaalt. Ouders die gescheiden zijn en/of veel kinderen hebben, kunnen over het algemeen minder tijd in hun kinderen investeren. Zij komen daardoor niet alleen zelf minder toe aan het lezen van boeken, maar lezen ook minder vaak voor en praten minder vaak over boeken (Notten, 2013).

Meertalige ouders

Anders- of meertalige ouders doen er goed aan de leesopvoeding te doen in hun 'eerste' taal. Dat is beter voor de taalontwikkeling dan activiteiten als voorlezen, zingen en praten achterwege laten. Kinderen dragen de kennis van hun thuistaal namelijk zelf over op het Nederlands. Ze zijn daar zeker toe in staat als ze daarnaast vroege- en voorschoolse educatie in het Nederlands krijgen (of welke taal er later op school en in de maatschappij dominant is) (Leseman, 2009).

Professionele ondersteuning

Overheidsprogramma's voor geletterdheid en leesbevordering bieden gezinnen ondersteuning bij de leesopvoeding. Hiermee wordt getracht om risicogroepen te bereiken, zoals lager opgeleide, meertalige of laaggeletterde ouders. Zij leren hoe ze de taalontwikkeling van hun kinderen kunnen stimuleren, door met hen te praten, samen taaloefeningen te doen of voor te lezen uit prenten- en kinderboeken. Uit een meta-analyse van dertig studies blijkt dat dergelijke programma's de (ontluikende) geletterdheid stuwen. Hoe jonger het kind, hoe groter de winst: vroeg beginnen luidt het devies. Kinderen uit risicogezinnen boeken vergelijkbare resultaten als kinderen uit niet-risicogezinnen. Het maakt niet uit of de trainers (semi-)professionals zijn of vrijwilligers (Van Steensel, McElvany, Kurvers & Herppich, 2011).