Leesprestaties kinderen

-> De leesprestaties van basis- en middelbare scholieren zijn internationaal gezien bovengemiddeld goed.

-> Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat basis- en middelbare scholieren door de jaren heen stabiel presteren.

-> Bijna twee op de tien 15-jarigen is laaggeletterd; ruim één op de tien is hooggeletterd. De kloof tussen zwakke en sterke lezers groeit.

-> Een ruime meerderheid van de kinderen leert, op basis van de referentieniveaus taal, redelijk tot goed lezen.

-> Basis- en middelbare scholieren zijn minder goed in de complexe teksttaken, zoals het integreren van tekstuele informatie met hun eigen kennis en ervaringen.

Nederlandse scholieren blijven bovengemiddeld vaardige lezers

Nederland heeft in PISA, het internationale onderzoek naar de leesvaardigheid van 15-jarigen, zijn vijftiende plaats op de ranglijst van 71 landen behouden. Het aantal landen dat het statistisch significant beter doet is gestegen van negen naar tien. Het gaat om de Aziatische landen Singapore, Zuid-Korea en Japan en de EU-landen Finland, Ierland en Estland. Nederlandse 15-jarigen scoren, evenals in voorgaande PISA-metingen, boven het internationale en het EU-gemiddelde (Cito, 2016).

Wereld top 15 PISA

In gemiddelde scores

Europese top 15 PISA

In gemiddelde scores

* Vlaanderen is onderdeel van België.

Sinds 2003, toen Nederland voor het eerst meedeed aan PISA, zijn de leesprestaties van middelbare scholieren nagenoeg onveranderd. Tussen 2012 en 2015 treedt weliswaar een daling op, maar die is statistisch niet significant en dus niet ‘betekenisvol’ (Cito, 2016).

PISA-trend voor Nederland (positie op wereldranglijst)

In gemiddelde scores

Nederlandse 15-jarigen behalen de beste prestaties op het onderdeel selecteren, opzoeken en verzamelen van informatie. Hierop scoren ze 519 punten (goed voor een achtste plaats), een gemiddelde dat voor het verwerken van het gelezene om er betekenis aan te geven op 504 punten ligt (tiende) en voor het leggen van verbanden tussen de tekst en eigen kennis en ervaringen op 510 punten (elfde). Naarmate de complexiteit van de leestaak stijgt, ondervinden Nederlandse leerlingen dus meer moeilijkheden (De Meyer & Warlop, 2010).

De leesprestaties van Nederlandse 10-jarigen liggen op hetzelfde niveau als vijf jaar geleden. In het internationale leesvaardigheidonderzoek PIRLS is hun gemiddelde score in 2011 met één punt gedaald, naar 546 punten. Dat is ruim boven het internationale gemiddelde van 500 punten. Tegenover de 29 landen die lager scoren, staan er inmiddels negen die het significant beter doen – in 2006 waren dat er nog vijf. Nederlandse basisscholieren verliezen terrein ten opzichte van leeftijdsgenootjes uit andere landen (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012).

Nederland behoort, samen met Zweden, Bulgarije en Litouwen, tot de weinige landen waar de leesprestaties sinds 2001 achteruit zijn gegaan. Tussen 2001 en 2006 trad er een significante daling op, van 554 naar 547 punten. Alle andere landen die sinds 2001 meedoen aan PIRLS, weten de prestaties op peil te houden dan wel te verbeteren (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012).

Top 15 PIRLS

In gemiddelde scores

10-jarigen presteren net als 15-jarigen minder goed op cognitief complexe teksttaken. Hun score voor het onderdeel informatie verwerken en het maken van inferenties is 549 punten, significant hoger dan het totaalgemiddelde van 546. Op het interpreteren, integreren en evalueren van informatie behalen ze 543 punten, wat juist significant lager is. Ten opzichte van 2006 zijn hun scores voor beide onderdelen nagenoeg onveranderd (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012).

In de wereldwijde PISA-ranglijst staat Nederland op de vijftiende plaats, bij PIRLS dertiende. De Nederlandse overheid streeft naar een positie bij de eerste vijf in deze leeshitlijsten.

Kloof tussen zwakke en sterke lezers groeit

17,9% van de Nederlandse 15-jarigen is laaggeletterd. Nederland doet het daarmee beter dan de meeste andere landen in PISA: het internationale gemiddelde ligt op 20%. Het gaat hier overigens om leerlingen die veel moeite hebben met lezen, niet om analfabeten. 10,8% van de Nederlandse 15-jarigen is hooggeletterd, eveneens beter dan het internationale gemiddelde van 8%. Hoewel het aantal laaggeletterden en hooggeletterden in vergelijking met 2012 toeneemt, is deze stijging niet significant en dus niet ‘betekenisvol’. Gemeten over een langere periode (tussen 2003 en 2016) is het aantal laaggeletterden overigens wél significant gegroeid (Cito, 2016).

Laag- en hooggeletterdheid 15-jarigen

In procenten

Nederland behoort tot de landen in PISA waar de prestaties van zwakkere en sterkere leerlingen ver uit elkaar liggen. Dat duidt erop dat de kloof in leesvaardigheid internationaal gezien breed is (Cito, 2016). In 2012 was dat nog niet het geval. Toen vertoonde de scoreverdeling tussen hele sterke en hele zwakke lezers juist minder spreiding dan in de meeste andere landen (Kordes, Bolsinova, Limpens, Stolwijk, 2013).

Op de basisschool leren bijna alle Nederlandse kinderen redelijk tot goed lezen. Ruim negen op de tien 10-jarigen slaagt erin om ten minste het middenniveau te behalen in PIRLS. Zij kunnen informatie uit een tekst verwerken, directe gevolgtrekkingen maken en structuur-ondersteunende elementen gebruiken. Nergens op de wereld leert zo’n grote groep kinderen lezen op een dergelijk niveau (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012).

Prestaties groep 4- en 8-leerlingen stabiel

Groep 8-leerlingen presteren in 2015 op begrijpend lezen licht hoger dan het jaar ervoor. Op woordenschat scoren ze stabiel. Sinds 2008, de eerste meting van het jaarlijks peilingsonderzoek, zijn hun prestaties op beide talige onderdelen verbeterd, alsmede op spelling (tot en met 2014). Deze vooruitgang is echter zo gering dat er statistisch gezien sprake is van een stabiel beeld (Hemker, 2016; Hemker & Van Weerden, 2015). Ook op langere termijn is dat het geval. Groep 8-leerlingen presteerden tussen 2005 en 2011 bestendig op begrijpend lezen, studerend lezen en het opzoeken van informatie. Alleen op woordenschat en het interpreteren van teksten boekten ze een lichte vooruitgang (Cito, 2014).

Leesprestaties groep 8

In gemiddelde scores

Groep 4-leerlingen doen het in 2013 op woordenschat en begrijpend lezen even goed als het jaar ervoor. Op spelling boeken ze een lichte achteruitgang. Sinds 2008 zijn hun prestaties op alle drie de talige onderdelen verbeterd. Deze vooruitgang is echter zo gering dat er statistisch gezien sprake is van een stabiel beeld (Van Weerden, Hemker & Mulder, 2014). Ook op langere termijn is dat het geval. Groep 4-leerlingen presteren tussen 2005 en 2011 bestendig op begrijpend lezen, technisch lezen, woordenschat en alfabetiseren. Alleen op het interpreteren van teksten boeken ze een lichte vooruitgang (Cito, 2014). 

Leesprestaties groep 4

In gemiddelde scores

In het speciaal onderwijs bereiken groep 8-leerlingen een niveau dat vergelijkbaar is met dat van groep 6 in het reguliere basisonderwijs (Onderwijsinspectie, 2015). Dat geldt voor begrijpend lezen, het interpreteren van teksten, woordenschat, alfabetiseren en het opzoeken van informatie (Cito, 2014).

Basisscholieren hebben onder bepaalde omstandigheden meer moeite om de tekst te begrijpen en te interpreteren. Ze vinden het lastig als de tekst veel moeilijke, onbekende woorden bevat en als verbindingswoorden (omdat, want, maar) ontbreken. Daarnaast wordt hun begrip van de tekst bemoeilijkt als ze veel inferenties moeten maken, eigen kennis van de wereld moeten inbrengen en de gebeurtenissen niet direct aansluiten op hun belevingswereld (Cito, 2014).

Meerderheid leerlingen behaalt vereiste referentieniveau

In de referentieniveaus taal en rekenen is vastgelegd wat scholieren moeten kennen en kunnen in bepaalde fases van hun onderwijsloopbaan. Het gaat om essentiële kennis en vaardigheden, die nodig zijn om te functioneren in de maatschappij. Een meerderheid van de kinderen en jongeren slaagt erin om voor taal en lezen het voor hun onderwijssoort vereiste referentieniveau te behalen.

Aan het eind van de basisschool moeten leerlingen niveau 1F beheersen. In 2015 behaalt 92% dat niveau; 65% zit zelfs al op niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2015). Dat is hoger dan het ambitieniveau van 85% voor 1F aan het eind van de basisschool (Onderwijsinspectie, 2016). Tevens betekent het een forse stijging. In 2013 presteerde 78% van de leerlingen op niveau 1F voor woordenschat en spelling en 77% voor begrijpend lezen (Onderwijsinspectie, 2015). In het speciaal basisonderwijs behaalt 62% van de leerlingen niveau 1F en 26% het niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2016).

Vmbo-leerlingen worden geacht op het eindexamen referentieniveau 2F te beheersen. In basisberoeps, het laagste vbmo-niveau, slaagt de grootste groep daarin: 91%. In het kaderberoeps gaat het om 81%, in de gemengde en theoretische leerweg om 87% (College voor Toetsen en Examens, 2015).

Ook mbo 2- en 3-leerlingen moeten aan het eind van hun opleiding 2F beheersen. 64% van de mbo 2-leerlingen slaagt hierin en 85% van de mbo 3-leerlingen (College voor Toetsen en Examens, 2015). Deze percentages zijn lager dan aan het eind van het vmbo, wat suggereert dat de leesvaardigheid gedurende het mbo achteruitloopt.

Aan het eind van de havo en het mbo 4 geldt het referentieniveau 3F als eis. Respectievelijk 75% en 72% van de leerlingen behaalt dat niveau voor taal en lezen. Vwo-leerlingen moeten op het eindexamen niveau 4F beheersen. 77% slaagt daarin (College voor Toetsen en Examens, 2015).