Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Lezen in de kinderopvang

-> De sector voor de kinderopvang en buitenschoolse opvang groeit fors, terwijl peuterspeelzalen een krimp doormaken.

-> De meeste pedagogisch medewerkers op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen lezen voor en stellen boeken beschikbaar. Daarmee stimuleren ze onder andere de taalontwikkeling.

-> De 1.500 peuterspeelzalen en kinderdagverblijven die meedoen met BoekStart in de kinderopvang geven meer aandacht aan leesbevordering.

-> Op de buitenschoolse opvang zijn (voor)lezen en een boekencollectie minder vanzelfsprekend dan in de kinderopvang.

Meer kinderen naar kinderdagverblijven en bso’s, minder naar peuterspeelzalen

De kinderopvangsector beslaat drie soorten organisaties: kinderdagverblijven voor 0- tot 3-jarigen, peuterspeelzalen voor 2- en 3-jarigen en de buitenschoolse opvang voor schoolgaande kinderen van 4 jaar en ouder. Nederland telt 7.545 kinderdagverblijven, 1.644 peuterspeelzalen en 6.670 locaties voor buitenschoolse opvang (DUO Landelijk Register Kinderopvang & Ministerie SZW, 2017; Buitenhek Management & Consult & Directie Kinderopvang Ministerie SZW, 2017).

268.000 kinderen tussen de 0 en 3 jaar bezoeken een kinderdagverblijf. 55.000 peuters van 2 en 3 jaar bezoeken een peuterspeelzaal. 314.000 kinderen van 4 tot 12 jaar zitten op de buitenschoolse opvang. Terwijl het aantal kinderen op peuterspeelzalen de laatste jaren fors is gedaald, groeit het aantal bezoekers van kinderdagverblijven en de buitenschoolse opvang (DUO Landelijk Register Kinderopvang & Ministerie SZW, 2017; Buitenhek Management & Consult & Directie Kinderopvang Ministerie SZW, 2017).

(Voor)leesklimaat in kinderopvang is goed op orde

Voorlezen is een veelvoorkomende dagactiviteit op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Vrijwel alle pedagogisch medewerkers vinden regelmatig voorlezen belangrijk (97%) en ruim driekwart van hen leest een of meerdere keren per dag voor (79%). De meest genoemde redenen om voor te lezen zijn het stimuleren van de taalontwikkeling van kinderen, het creëren van rustmomenten in de groep en de kinderen plezier laten beleven. Per keer wordt er gemiddeld zo’n 11 minuten voorgelezen. Het belangrijkste obstakel om voor te lezen is tijdgebrek (Kantar Public, 2017).

Pedagogisch medewerkers lezen zowel voor aan de hele groep kinderen (63% doet dit dagelijks) als aan een kleiner gedeelte van de groep (56% doet dit dagelijks). Als er een babygroep is, wordt die ook regelmatig voorgelezen (36% doet dit dagelijks aan een aantal baby’s, 43% aan een baby). 89% van de pedagogisch medewerkers ziet het belang van voorlezen voor de taalontwikkeling van baby’s. 13% vindt het moeilijk om aan baby’s voor te lezen (Kantar Public, 2017).

Het aantal boeken op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen varieert. In de meeste groepen zijn tussen de 6 en 20 boeken aanwezig (op 42% van de instellingen) of tussen de 21 en de 40 boeken (op 30%). Er zijn gemiddeld 9 babyboekjes. Op peuterspeelzalen zijn vaak meer boeken aanwezig dan op kinderdagverblijven. Zij beschikken ook vaker over een aparte boekenhoek. 81% van de pedagogisch medewerkers geeft aan dat kinderen de boeken zelfstandig kunnen pakken. Digitale prentenboeken worden weinig ingezet: door 21% van de kinderdagverblijven en 36% van de peuterspeelzalen (Kantar Public, 2017).

Voorlezen is bij 66% van de kinderdagverblijven en peuterspeelzalen onderdeel van het beleidsplan. 12% heeft (daarnaast) een apart voorleesplan. De meeste aandacht gaat uit naar voorleesmomenten, de frequentie van voorlezen, het verbinden van voorlezen aan een thema en het begeleiden van taalzwakke kinderen. 27% van de kinderdagverblijven en 32% van peuterspeelzalen beschikt over een voorleescoördinator. Dit is meestal één van de pedagogisch medewerkers (Kantar Public, 2017).

Pedagogisch medewerkers op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen staan over het algemeen open voor signalen van kinderen en leven zich in hen in. Met deze emotionele begeleiding stimuleren ze de woordenschat. Ze schenken relatief minder aandacht aan voorlezen, samen puzzels maken, kringgesprekken voeren en ‘doen alsof’-fantasiespellen. Pedagogisch medewerkers die deze vormen van educatieve begeleiding bieden, helpen kinderen hun concentratie, taalvermogen en cognitieve vaardigheden te ontwikkelen (Slot, 2014).

Pedagogisch medewerkers die investeren in emotionele en educatieve begeleiding, zijn over het algemeen beter opgeleid. Ook krijgen ze voldoende kansen om zichzelf professioneel te ontwikkelen. Tot slot wordt er op hun peuterspeelzalen en kinderdagverblijven vaker gebruik gemaakt van voor- en vroegschoolse educatieve (VVE-)programma’s (Slot, 2014).

Het is onduidelijk of VVE-programma’s, die zich richten op het tegengaan van achterstanden bij risicogroepen, het gewenste resultaat sorteren. Een meta-analyse van 21 studies vindt geen effecten op taal en de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van deelnemende kinderen (Fukkink, Jilink & Oostdam, 2015). Uit cohort-onderzoek blijkt juist dat doelgroepkinderen hun achterstand op taal en woordenschat deels in weten te lopen. De inhaaleffecten zijn het grootst bij kinderen met een niet-westerse culturele achtergrond of een andere thuistaal dan het Nederlands; minder sterk zijn ze bij kinderen met een laagopgeleide moeder (Leseman & Veen, 2016).

Meer aandacht voor leesbevordering met BoekStart in de kinderopvang

Naast BoekStart voor baby’s is er sinds 2011 het programma BoekStart in de kinderopvang. Bibliotheken faciliteren kinderdagverblijven en peuterspeelzalen om een stimulerende leesomgeving te creëren, met veel aandacht voor voorlezen en een rijke, actuele en gevarieerde boekencollectie. 133 basisbibliotheken bieden het programma aan, 87% van het totaal. 1.504 van de ruim 9.000 kinderdagverblijven en peuterspeelzalen doen mee, een landelijke dekking van 16%. Er worden in totaal ongeveer 55.000 jonge kinderen bereikt.

Voorlezen vindt vaker plaats op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen met BoekStart. 85% van de pedagogisch medewerkers op BoekStart-instellingen leest dagelijks voor, op de overige instellingen is dat 75%. Pedagogisch medewerkers op BoekStart-instellingen bereiden voorleesmomenten vaker voor, en het voorleesritueel en de verhaalverwerking zijn uitgebreider. Ook is er op deelnemende locaties meer aandacht voor taalzwakke kinderen en ouderbetrokkenheid (Kantar Public, 2017).

BoekStart-locaties verankeren leesbevordering relatief sterk in het beleid. Er is vaker dan op overige instellingen een voorleescoördinator, een apart voorleesplan, een geoormerkt boekenbudget, een groter aantal pedagogisch medewerkers dat een voorlees- of taalstimuleringscursus heeft gevolgd en een intensievere samenwerking met de bibliotheek (Kantar Public, 2017).

(Voor)leesklimaat op bso weinig vanzelfsprekend

Lezen behoort op de buitenschoolse opvang (bso) tot de activiteiten waaraan kinderen het minste plezier beleven. 53% noemt boeken lezen ‘leuk’, minder dan buitenspelen (94%), de andere kinderen (88%), het speelgoed (87%), knutselen (77%) en computerspelletjes spelen (58%). 9- tot 12-jarigen zeggen minder plezier te beleven aan het lezen van boeken op de bso dan 5- tot 8-jarigen (TNS Nipo, 2012).

Voorlezen is op de bso een minder vanzelfsprekende dagactiviteit dan in de kinderopvang. Pedagogisch medewerkers zien het vooral als rustmoment voor de kinderen, na een lange schooldag. 71% leest minstens één keer per week voor aan 4- tot 6-jarigen, 50% aan 7- en 8-jarigen en 23% aan 9- tot 12-jarigen. Ruim zes op de tien bso-medewerkers laten kinderen op deze leeftijden minstens één keer per week zelfstandig in een boek lezen (TNS Nipo, 2013).

Negen van de tien bso’s beschikken over een eigen leeshoek. Kinderen kiezen er meestal zelf voor of ze een boek willen lezen op de bso. Dat past binnen het beleid van de meeste bso’s, dat activiteiten geen schools karakter hebben maar in het teken staan van de vrije tijd (TNS Nipo, 2013).

Het boekenaanbod op de bso, meestal in de vorm van een kist met boeken, wisselt sterk van kwaliteit. Sommige instellingen hebben een actuele, gevarieerde collectie, die regelmatig wordt ververst. Anderen doen het jarenlang met dezelfde boeken. De meeste bso-instellingen hebben geen beleid voor de aanschaf van nieuwe titels (TNS Nipo, 2013).