Literaire leesprestaties

De literaire leesprestaties van Nederlandse basisscholieren zijn de afgelopen jaren onveranderd. Van de havisten slaagt driekwart erin het vereiste literaire competentieniveau te halen, van de vwo'ers bijna de helft.

Basisscholieren

De leesprestaties van Nederlandse 10-jarigen liggen op hetzelfde niveau als vijf jaar geleden. Dat geldt voor de beide in PIRLS onderzochte tekstsoorten: informatieve en verhalende teksten. Ten opzichte van 2001 is er wel een verslechtering. Dat komt vooral door de sterke daling tussen de onderzoeken van 2001 en 2006, voor zowel informatieve als verhalende teksten  (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012; Mullis, O. Martin, Kennedy & Foy, 2007).

De prestaties van 10-jarigen op beide tekstsoorten liggen dicht bij elkaar. Het verschil van twee punten in het voordeel van informatieve teksten is niet significant. Dat hun prestaties op informatieve en verhalende teksten nagenoeg gelijk zijn, is al sinds 2001 het geval (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012; Mullis, O. Martin, Kennedy & Foy, 2007).

Literaire leesprestaties 10-jarigen

In gemiddelde scores

10-jarige meisjes zijn leesvaardiger dan jongens. Dat komt vooral omdat ze beter zijn in het begrijpend lezen van verhalende teksten. Voor informatieve teksten is het verschil met jongens niet significant. Waar meisjes even goed scoren op informatieve als verhalende teksten, presteren jongens juist minder goed op verhalende teksten (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012).

Middelbare scholieren

De helft van de middelbare scholieren begint aan de tweede fase met een achterstand in literaire competentie. Dat is het geval op de havo en het vwo. Maar waar 73% van de havisten aan het eind van de middelbare school voldoet aan de havo-norm in Witte's competentiemodel, haalt slechts 47% van de vwo’ers de vwo-norm. 20% haalt zelfs de havo-norm niet  (Witte, 2008).

Voor de literaire competentie bestaat er een omgekeerd Matteüs-effect. Niet de sterke maar de zwakke leerlingen boeken in de tweede fase de meeste vooruitgang. Het literatuuronderwijs slaagt er vooral in om hún literaire competentie en motivatie om literatuur te lezen naar een hoger plan te tillen (Witte, 2008).

Er gaat van het literatuuronderwijs zelfs een emanciperend effect uit. Waar het beginniveau van 4 havo- en vwo-leerlingen sterk samenhangt met hun eigen leesgedrag en het leesklimaat thuis, is dat aan het eind van de middelbare school niet meer het geval. Leerlingen die weinig lezen en weinig leesstimulansen van hun ouders krijgen, hebben dus evenveel kans om één, twee of drie niveaus te klimmen als leerlingen met een voordeliger uitgangssituatie (Witte, 2008).