Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Leesprestaties kinderen

-> De leesprestaties van basisscholieren zijn internationaal gezien bovengemiddeld goed, terwijl deze bij middelbare scholieren rond het gemiddelde liggen.

-> Basisscholieren presteren door de jaren heen stabiel op het gebied van lezen. Bij middelbare scholieren is er sprake van een daling.

-> Bijna een kwart van de 15-jarigen loopt het risico om laaggeletterd te worden, meer dan in 2015.

-> Een ruime meerderheid van de basisscholieren leert, op basis van de referentieniveaus taal, redelijk tot goed lezen. Hetzelfde geldt voor middelbare scholieren en mbo-studenten.

-> Basis- en middelbare scholieren zijn minder goed in complexe teksttaken, zoals het integreren van tekstuele informatie met hun eigen kennis en ervaringen.

-> 7,5% van de basisscholieren en 14% van de middelbare scholieren heeft een dyslexieverklaring.

Nederlandse basisscholieren blijven bovengemiddeld vaardige lezers

De leesprestaties van 10-jarigen blijven op niveau. In het internationale leesvaardigheidonderzoek PIRLS is hun gemiddelde score in 2016 ten opzichte van 2011 met één punt gedaald, naar 545 punten. Dit is ruim boven het gemiddelde van 500 punten van de vijftig aan PIRLS deelnemende landen. Er zijn wel steeds meer landen die het significant en dus ‘betekenisvol’ beter doen dan Nederland. Dit zijn er inmiddels dertien, tegenover negen in 2011. Sinds het eerste PIRLS-onderzoek in 2001 is Nederland op de internationale ranglijst dan ook continue gedaald (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Top 20 PIRLS

In gemiddelde scores

Nederland behoort, samen met Frankrijk, tot de weinige landen waar de leesprestaties in vergelijking met 2001 achteruit zijn gegaan. De andere achttien landen die sinds 2001 meedoen aan PIRLS, weten de prestaties op peil te houden dan wel te verbeteren. De daling voor Nederland vond plaats tussen 2001 en 2006, van 554 naar 547 punten. Over de metingen van 2006, 2011 en 2016 zijn de prestaties stabiel (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

PIRLS-trend voor Nederland 

In gemiddelde scores (positie op de wereldranglijst)

10-jarigen presteren minder goed als de teksttaak complexer wordt. Hun score voor het onderdeel informatie verwerken en het maken van inferenties is 546 punten. Op het interpreteren, integreren en evalueren van informatie behalen ze 544 punten, significant lager. Dit verschil is in loop van de metingen wel kleiner geworden (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Leesprestaties Nederlandse middelbare scholieren gaan achteruit

Nederland is in PISA, het internationale onderzoek naar de leesvaardigheid van 15-jarigen, gezakt van de vijftiende naar de 26e plaats op de ranglijst van 77 landen. Het aantal landen dat significant en dus ‘betekenisvol’ sterker presteert is gestegen van tien naar 23. Ten opzichte van de vorige meting is Nederland voorbijgestreefd door onder andere België, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Nederlandse 15-jarigen scoren rond het internationale OESO-gemiddelde van 489 punten en significant en ‘betekenisvol’ onder het EU-gemiddelde van 492 punten (Gubbels et al., 2019). In voorgaande metingen deden ze het internationaal gezien bovengemiddeld goed (Cito, 2016).

Wereld top 10 PISA

In gemiddelde scores

Europese top 10 PISA

In gemiddelde scores

Tussen 2003, toen Nederland voor het eerst meedeed aan PISA, en 2015 zijn de leesprestaties van middelbare scholieren nagenoeg stabiel geweest. Tussen 2015 en 2018 treedt er voor het eerst een significante en ‘betekenisvolle’ daling op. Dit betekent dat Nederlandse 15-jarigen minder vaardig zijn geworden in lezen (Gubbels et al., 2019).

PISA-trend voor Nederland 

In gemiddelde scores (positie op de wereldranglijst)

Nederlandse 15-jarigen zijn tussen 2015 en 2018 significant en ‘betekenisvol’ achteruitgegaan op alle drie de leesprocessen: informatie opzoeken, begrijpen, en evalueren en reflecteren. Op het onderdeel ‘informatie opzoeken’ zijn de prestaties het hoogst. Op dit onderdeel scoren Nederlandse 15-jarigen met 500 punten boven het internationale OESO-gemiddelde en het EU-gemiddelde. Op het onderdeel ‘begrijpen’ scoren ze met 484 punten rond beide gemiddelden, en op het onderdeel ‘evalueren en reflecteren’ met 476 punten onder beide gemiddelden (Gubbels et al., 2019). Naarmate de complexiteit van de leestaak stijgt, ondervinden Nederlandse 15-jarigen, net als 10-jarigen, meer moeilijkheden (De Meyer & Warlop, 2010).

Aantal zwakke lezers op middelbare scholen groeit

24% van de Nederlandse 15-jarigen loopt het risico om laaggeletterd te worden. Zij scoren op het laagste niveau van leesvaardigheid in het PISA-onderzoek. Nederland presteert zwakker dan de meeste andere landen: zowel het internationale OESO-gemiddelde als het EU-gemiddelde ligt op 21% (Gubbels et al., 2019). Tevens ligt het percentage voor Nederland boven het EU-streven dat in 2020 maximaal 15% van de leerlingen het risico loopt op laaggeletterdheid (European Union, 2019). Tussen 2015 en 2018 neemt het aantal zwak presterende lezers significant en dus ‘betekenisvol’ toe, terwijl het beeld over voorgaande metingen stabiel was (Gubbels et al., 2019). 

Zwakke lezers onder 15-jarigen

In procenten

Nederland behoort in 2015 tot de landen in PISA waar de prestaties van zwakkere en sterkere lezers ver uit elkaar liggen. Dit duidt erop dat de kloof in leesvaardigheid internationaal gezien breed is (Cito, 2016). In 2012 was dit nog niet het geval. Toen vertoonde de scoreverdeling tussen hele sterke en hele zwakke lezers juist minder spreiding dan in de meeste andere landen (Kordes, Bolsinova, Limpens, Stolwijk, 2013). Onder 10-jarigen is de kloof tussen sterke en zwakke lezers in 2016, net als vijf jaar eerder, de kleinste ter wereld (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Vrijwel alle Nederlandse kinderen leren op de basisschool redelijk tot goed lezen. 88% van de 10-jarigen slaagt erin om ten minste het middenniveau te behalen in PIRLS. Zij kunnen informatie uit een tekst verwerken, directe gevolgtrekkingen maken en structuur-ondersteunende elementen gebruiken. Tegelijkertijd moet Nederland op de ranglijst van excellentie 27 landen laten voorgaan. Met 8% halen relatief weinig Nederlandse kinderen het zogeheten geavanceerde niveau (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Meerderheid basisscholieren behaalt vereiste referentieniveau

Wat wil de samenleving dat kinderen kennen en kunnen in bepaalde fases van hun schoolloopbaan? Dit is vastgelegd in de referentieniveaus taal en rekenen. Het gaat om basale kennis en vaardigheden, die nodig zijn om te functioneren in de maatschappij. Een meerderheid van de basisscholieren slaagt erin om voor lezen en taalverzorging het vereiste referentieniveau te behalen.

Leerlingen worden aan het eind van groep 8 geacht ten minste niveau 1F te beheersen en idealiter niveau 2F. In 2017 behaalt 98% niveau 1F voor lezen; 65% zit op niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2017). Hiermee worden de ambities - 85% van de leerlingen haalt het fundamentele niveau 1F en 65% het streefniveau 2F - gerealiseerd (Inspectie van het Onderwijs, 2018; Inspectie van het Onderwijs, 2018). Ten opzichte van 2016 is het aantal leerlingen dat niveau 1F haalt stabiel, terwijl het voor niveau 2F met 10 procentpunten daalt. Een deel van deze daling is te verklaren door methodologische factoren. De daling na compensatie komt op 5 à 6 procentpunten (College voor Toetsen en Examens, 2017; Cito, 2018).

In het speciaal basisonderwijs beheerst 84% van de leerlingen in groep 8 niveau 1F en 29% niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2017). ‘Lezen’ omvat in het (speciaal) basisonderwijs de vaardigheden begrijpend lezen, opzoeken van informatie en samenvatten (Cito, 2018).

Voor taalverzorging behaalt 96% van de leerlingen in groep 8 niveau 1F; 57% zit op niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2017). Hiermee wordt de ambitie voor 1F - 85% van de leerlingen beheerst dit fundamentele niveau - gerealiseerd en die van 2F - 65% beheerst dit streefniveau - niet (Inspectie van het Onderwijs, 2018; Inspectie van het Onderwijs, 2018). De prestaties zijn stabiel ten opzichte van 2016 (College voor Toetsen en Examens, 2017). ‘Taalverzorging’ omvat de vaardigheden spelling, interpunctie en grammatica (Cito, 2018).

Taal- en leesprestaties basisonderwijs

In procenten voldoende op vereist referentieniveau

Op de lange termijn vertonen de taal- en leesprestaties een stabiel beeld. Groep 8-leerlingen zijn tussen 2005 en 2011 op hetzelfde niveau blijven presteren voor begrijpend lezen, studerend lezen en het opzoeken van informatie. Op woordenschat en het interpreteren van teksten boekten ze een lichte vooruitgang (Cito, 2014).

In het speciaal basisonderwijs bereiken groep 8-leerlingen een niveau dat vergelijkbaar is met dat van halverwege groep 6 in het reguliere basisonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2018). Dit geldt voor begrijpend lezen, het interpreteren van teksten, woordenschat, alfabetiseren en het opzoeken van informatie (Cito, 2014).

Basisscholieren hebben onder bepaalde omstandigheden meer moeite met begrip en interpretatie. Ze vinden het lastig als een tekst veel moeilijke, onbekende woorden bevat en als verbindingswoorden (omdat, want, maar) ontbreken. Daarnaast wordt hun begrip bemoeilijkt als ze veel inferenties moeten maken, eigen kennis van de wereld moeten inbrengen en de gebeurtenissen niet direct aansluiten op hun belevingswereld (Cito, 2014).

Meerderheid middelbare scholieren en mbo’ers behaalt vereiste referentieniveau

Een meerderheid van de middelbare scholieren en studenten op het mbo slaagt erin om voor lezen het vereiste referentieniveau te behalen.

Vmbo-leerlingen dienen op het eindexamen Nederlandse taal ten minste het niveau 2F te beheersen. In basisberoeps slaagt de grootste groep hierin: 94%. In kaderberoeps gaat het om 86%, in de gemengde en theoretische leerweg om 80% (College voor Toetsen en Examens, 2017). Dit betekent dat op het vmbo-niveau dat algemeen als het laagste wordt beschouwd, de meeste leerlingen het vereiste niveau behalen.

Van mbo 2- en 3-studenten wordt verwacht dat ze aan het eind van hun opleiding ten minste niveau 2F beheersen. 73% van de mbo 2-studenten en 89% van de mbo 3-studenten slaagt hierin (College voor Toetsen en Examens, 2017). Tegelijkertijd slagen aan het eind van mbo 2 minder leerlingen erin niveau 2F te halen dan aan het eind van het vmbo. Dit suggereert dat de leesvaardigheid gedurende het mbo 2 terugloopt.

Aan het eind van de havo en het mbo 4 geldt het referentieniveau 3F als minimale eis. Respectievelijk 79% en 63% van de leerlingen behaalt dit niveau. Vwo-leerlingen moeten op het eindexamen Nederlandse taal ten minste niveau 4F beheersen. 81% slaagt hierin (College voor Toetsen en Examens, 2017).

Taal- en leesprestaties voortgezet onderwijs en mbo

In procenten voldoende op vereist referentieniveau

Aantal dyslecten groeit tussen basis- en voortgezet onderwijs

Dyslexie wordt gedefinieerd als ‘een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau.’ Aan het eind van de basisschool, in de groepen 7 en 8, heeft 7,5% van de leerlingen een dyslexieverklaring op zak. In het speciaal basisonderwijs gaat het om 18,8%. In de loop van het voortgezet onderwijs groeit het aantal leerlingen met een dyslexieverklaring. Aan het eind van de middelbare school is 14% gediagnosticeerd met dyslexie. Het merendeel van deze leerlingen zit op vmbo basis- of kaderberoeps (Onderwijsinspectie, 2019).