Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Leesprestaties kinderen

-> De leesprestaties van basis- en middelbare scholieren zijn internationaal gezien bovengemiddeld goed. Nederland wordt wel door steeds meer landen voorbijgestreefd.

-> Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat basis- en middelbare scholieren door de jaren heen stabiel presteren op het gebied van lezen.

-> Bijna twee op de tien 15-jarigen is laaggeletterd; ruim één op de tien is hooggeletterd.

-> Een ruime meerderheid van de basisscholieren leert, op basis van de referentieniveaus taal, redelijk tot goed lezen. Hetzelfde geldt voor middelbare scholieren en mbo-studenten.

-> Basis- en middelbare scholieren zijn minder goed in complexe teksttaken, zoals het integreren van tekstuele informatie met hun eigen kennis en ervaringen.

Nederlandse scholieren blijven bovengemiddeld vaardige lezers

De leesprestaties van 10-jarigen liggen op hetzelfde niveau als vijf jaar geleden. In het internationale leesvaardigheidonderzoek PIRLS is hun gemiddelde score in 2016 met één punt gedaald, naar 545 punten. Dit is ruim boven het gemiddelde van 500 punten van de vijftig aan PIRLS deelnemende landen. Er zijn wel steeds meer landen die het significant en dus ‘betekenisvol’ beter doen dan Nederland. Dit zijn er inmiddels dertien, tegenover negen in 2011. Sinds het eerste PIRLS-onderzoek in 2001 is Nederland op de internationale ranglijst dan ook continue gedaald (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Top 20 PIRLS

In gemiddelde scores

Nederland behoort, samen met Frankrijk, tot de weinige landen waar de leesprestaties in vergelijking met 2001 achteruit zijn gegaan. De andere achttien landen die sinds 2001 meedoen aan PIRLS, weten de prestaties op peil te houden dan wel te verbeteren. De daling voor Nederland vond plaats tussen 2001 en 2006, van 554 naar 547 punten. Over de metingen van 2006, 2011 en 2016 zijn de prestaties stabiel (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

PIRLS-trend voor Nederland 

In gemiddelde scores (positie op de wereldranglijst)

10-jarigen presteren minder goed als de teksttaak complexer wordt. Hun score voor het onderdeel informatie verwerken en het maken van inferenties is 546 punten. Op het interpreteren, integreren en evalueren van informatie behalen ze 544 punten, significant lager. Dit verschil is in loop van de metingen wel kleiner geworden (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Nederland heeft in PISA, het internationale onderzoek naar de leesvaardigheid van 15-jarigen, zijn vijftiende plaats op de ranglijst van 71 landen behouden. Het aantal landen dat het statistisch significant beter doet is evenwel gestegen van negen naar tien. Het gaat om de Aziatische landen Singapore, Zuid-Korea en Japan en de EU-landen Finland, Ierland en Estland. Nederlandse 15-jarigen scoren, evenals in voorgaande PISA-metingen, boven het internationale en het EU-gemiddelde (Cito, 2016).

Wereld top 15 PISA

In gemiddelde scores

Europese top 15 PISA

In gemiddelde scores

* Vlaanderen is onderdeel van België.

Sinds 2003, toen Nederland voor het eerst meedeed aan PISA, zijn de leesprestaties van middelbare scholieren nagenoeg onveranderd. Tussen 2012 en 2015 treedt weliswaar een daling op, maar die is statistisch niet significant en dus niet ‘betekenisvol’ (Cito, 2016).

PISA-trend voor Nederland 

In gemiddelde scores (positie op de wereldranglijst)

Nederlandse 15-jarigen behalen de beste prestaties op het onderdeel selecteren, opzoeken en verzamelen van informatie. Hierop scoren ze 519 punten (goed voor een achtste plaats), een gemiddelde dat voor het verwerken van het gelezene om er betekenis aan te geven op 504 punten ligt (tiende) en voor het leggen van verbanden tussen de tekst en eigen kennis en ervaringen op 510 punten (elfde). Naarmate de complexiteit van de leestaak stijgt, ondervinden Nederlandse 15-jarigen dus net als 10-jarigen meer moeilijkheden (De Meyer & Warlop, 2010).

In de wereldwijde PISA-ranglijst staat Nederland op de vijftiende plaats, bij PIRLS veertiende. De Nederlandse overheid streeft naar een positie bij de eerste vijf in deze leeshitlijsten.

Kloof tussen zwakke en sterke lezers groeit

17,9% van de Nederlandse 15-jarigen is laaggeletterd. Nederland doet het beter dan de meeste andere landen in PISA: het internationale gemiddelde ligt op 20%. Het gaat hier om leerlingen die veel moeite hebben met lezen en schrijven, en niet om analfabeten. 10,8% van de Nederlandse 15-jarigen is hooggeletterd. Dit aantal ligt eveneens boven het internationale gemiddelde van 8% (Cito, 2016).

Het aantal laaggeletterden en hooggeletterden neemt toe in vergelijking met 2012. Deze stijging is echter niet significant en dus niet ‘betekenisvol’. Dit betekent dat het aantal laaggeletterden en hooggeletterden statistisch gezien stabiel is tussen 2012 en 2015. Ten opzichte van 2003 is het aantal laaggeletterden in 2015 wél significant toegenomen (Cito, 2016).

Laag- en hooggeletterdheid 15-jarigen

In procenten

Nederland behoort tot de landen in PISA waar de prestaties van zwakkere en sterkere lezers ver uit elkaar liggen. Dit duidt erop dat de kloof in leesvaardigheid internationaal gezien breed is (Cito, 2016). In 2012 was dit nog niet het geval. Toen vertoonde de scoreverdeling tussen hele sterke en hele zwakke lezers juist minder spreiding dan in de meeste andere landen (Kordes, Bolsinova, Limpens, Stolwijk, 2013). Onder 10-jarigen is de kloof tussen sterke en zwakke lezers in 2016, net als vijf jaar eerder, de kleinste ter wereld (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Vrijwel alle Nederlandse kinderen leren op de basisschool redelijk tot goed lezen. 88% van de 10-jarigen slaagt erin om ten minste het middenniveau te behalen in PIRLS. Zij kunnen informatie uit een tekst verwerken, directe gevolgtrekkingen maken en structuur-ondersteunende elementen gebruiken. Tegelijkertijd moet Nederland op ranglijst van excellentie 27 landen laten voorgaan. Met 8% halen relatief weinig Nederlandse kinderen het zogeheten geavanceerde niveau (Expertisecentrum Nederlands, 2017).

Meerderheid basisscholieren behaalt vereiste referentieniveau

Wat wil de samenleving dat kinderen kennen en kunnen in bepaalde fases van hun schoolloopbaan? Dit is vastgelegd in de referentieniveaus taal en rekenen. Het gaat om basale kennis en vaardigheden, die nodig zijn om te functioneren in de maatschappij. Een meerderheid van de basisscholieren slaagt erin om voor lezen en taalverzorging het vereiste referentieniveau te behalen.

Leerlingen worden aan het eind van groep 8 geacht niveau 1F te beheersen. In 2016 behaalt 99% dit niveau voor lezen; 77% zit op niveau 2F (Cito, 2017). Daarmee worden de ambities - 85% van de leerlingen haalt 1F en 65% 2F - ruimschoots gerealiseerd (Onderwijsinspectie, 2017; Onderwijsinspectie, 2017). De prestaties zijn stabiel ten opzichte van 2015.

In het speciaal basisonderwijs beheerst 90% van de leerlingen niveau 1F en 38% niveau 2F (College voor Toetsen en Examens, 2016). ‘Lezen’ omvat in het basisonderwijs de vaardigheden begrijpend lezen, opzoeken van informatie en samenvatten (Cito, 2017).

96% van de leerlingen behaalt in groep 8 niveau 1F voor taalverzorging; 57% zit op niveau 2F. Daarmee wordt de ambitie voor 1F - 85% van de leerlingen beheerst dit - gerealiseerd en die van 2F - 65% - niet (Onderwijsinspectie, 2017; Onderwijsinspectie, 2017). De prestaties zijn stabiel ten opzichte van 2015. ‘Taalverzorging’ omvat de vaardigheden spelling, interpunctie en grammatica (Cito, 2017).

Taal- en leesprestaties basisonderwijs

In procenten voldoende op vereist referentieniveau

Op langere termijn vertonen de taal- en leesprestaties een stabiel beeld. Groep 8-leerlingen bleven tussen 2005 en 2011 op hetzelfde niveau presteren voor begrijpend lezen, studerend lezen en het opzoeken van informatie. Alleen op woordenschat en het interpreteren van teksten boekten ze een lichte vooruitgang (Cito, 2014). In het speciaal onderwijs bereiken groep 8-leerlingen een niveau dat vergelijkbaar is met dat van groep 6 in het reguliere basisonderwijs (Onderwijsinspectie, 2015). Dat geldt voor begrijpend lezen, het interpreteren van teksten, woordenschat, alfabetiseren en het opzoeken van informatie (Cito, 2014).

Basisscholieren hebben onder bepaalde omstandigheden meer moeite met begrip en interpretatie. Ze vinden het lastig als een tekst veel moeilijke, onbekende woorden bevat en als verbindingswoorden (omdat, want, maar) ontbreken. Daarnaast wordt hun begrip bemoeilijkt als ze veel inferenties moeten maken, eigen kennis van de wereld moeten inbrengen en de gebeurtenissen niet direct aansluiten op hun belevingswereld (Cito, 2014).

Meerderheid middelbare scholieren en mbo’ers behaalt vereiste referentieniveau

Een meerderheid van de middelbare scholieren en studenten op het mbo slaagt erin om voor lezen het vereiste referentieniveau te behalen.

Vmbo-leerlingen dienen op het eindexamen Nederlandse taal het niveau 2F te beheersen. In basisberoeps slaagt de grootste groep hierin: 92%. In kaderberoeps gaat het om 82%, in de gemengde en theoretische leerweg om 85% (College voor Toetsen en Examens, 2016). Het is onduidelijk waarom in basisberoeps, dat wordt beschouwd als het laagste vmbo-niveau, de meeste leerlingen het vereiste niveau behalen.

Van mbo 2- en 3-studenten wordt verwacht dat ze aan het eind van hun opleiding niveau 2F beheersen. 74% van de mbo 2-studenten slaagt hierin, tegen 89% van de mbo 3-studenten. Zowel mbo 2- als mbo 3-studenten zijn licht vooruit gegaan ten opzichte van 2015 (College voor Toetsen en Examens, 2016). Tegelijkertijd slagen minder leerlingen erin niveau 2F te halen aan het eind van mbo 2 dan aan het eind van het vmbo. Dat suggereert dat de leesvaardigheid gedurende het mbo 2 terugloopt.

Aan het eind van de havo en het mbo 4 geldt het referentieniveau 3F als eis. Respectievelijk 84% en 61% van de leerlingen behaalt dat niveau. Vwo-leerlingen moeten op het eindexamen Nederlandse taal niveau 4F beheersen. 80% slaagt hierin (College voor Toetsen en Examens, 2016).

Taal- en leesprestaties voortgezet onderwijs en mbo

In procenten voldoende op vereist referentieniveau