Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Leesvaardigheid stimuleren

-> Een positieve leesattitude gaat hand in hand met een goede leesvaardigheid. Dit geldt vooral voor meisjes.

-> Een minimale tijdsbesteding aan lezen kan al helpen om de leesprestaties te verbeteren.

-> Andere factoren die gunstig samenhangen met de leesvaardigheid, zijn het lezen van verschillende tekstsoorten – en in het bijzonder fictie – en kennis van leesstrategieën.

-> Om te leren rekenen, zijn talige competenties nodig.

Leesplezier hangt samen met leesvaardigheid

Wie lezen leuk vindt, is over het algemeen ook leesvaardiger. Een meta-analyse van 32 studies toont aan dat er een positief verband bestaat tussen de leesattitude en de leesprestaties (Petscher, 2010).

15-jarigen met het meeste plezier in lezen, scoren gemiddeld anderhalf PISA-niveau hoger in leesvaardigheid dan leerlingen met het minste plezier in lezen. Een positieve houding tegenover het lezen verklaart in Nederland 17% van de verschillen in leesvaardigheid, tegen 18% internationaal (Gille et al., 2010).

Bij 10-jarigen is het verband tussen de leesattitude en de leesvaardigheid ook positief. Basisscholieren die lezen leuk vinden zijn, met 560 punten in PIRLS, zeer vaardige lezers, terwijl kinderen die lezen enigszins leuk vinden met 550 punten nagenoeg op het Nederlandse gemiddelde zitten. Leerlingen die lezen niet leuk vinden scoren daar met 527 punten ver onder (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Binnenlands onderzoek onder basisscholieren vindt vergelijkbare verschillen (Cito, 2014).

Er is een verschil tussen de seksen in het effect van de leesattitude op de leesvaardigheid. 15-jarige meisjes die plezier hebben in lezen, profiteren daarvan sterker voor hun leesprestaties dan jongens. Bij hen is leesplezier dus belangrijker om goed te zijn in lezen (Nielen & Bus, 2016Gille et al., 2010).

Het verband tussen attitude en vaardigheid is er niet voor rekenen. Terwijl het voor de leesprestaties van basisscholieren helpt om lezen leuk te vinden, is dat bij de rekenprestaties niet het geval (Netten, 2014).

Leesgedrag hangt samen met leesvaardigheid

Wie vaak voor het plezier in de vrije tijd leest, is over het algemeen ook leesvaardiger. Uit PISA komt een sterk verband naar voren tussen het leesgedrag en de leesvaardigheid. 15-jarige niet-lezers presteren met 478 punten zwaar onder het Nederlands gemiddelde van 508 punten. De lezers presteren veel beter. Hoeveel tijd jongeren besteden aan het lezen, doet er minder toe. Het verschil in prestatie tussen 15-jarigen die ongeveer een half uur per dag en één uur tot ruim twee uur lezen is gering. Een minimale vrijetijdsbesteding aan lezen hangt dus al positief samen met de leesvaardigheid (OECD, 2011).

Hetzelfde is het geval in groep 5 van de basisschool. Kinderen die dagelijks 10 minuten lezen, boeken al betere prestaties op begrijpend lezen dan niet-lezers. Ook het wekelijks uitlezen van één boek helpt de leesvaardigheid vooruit. Langer lezen dan 10 minuten of wekelijks meerdere boeken uitlezen leidt niet tot nog betere prestaties. Het maakt dus vooral verschil òf kinderen lezen in hun vrije tijd (Cito, 2014).

Leesvaardigheid naar leestijd groep 5

In gemiddelde scores

Het effect van lezen in de vrije tijd werkt door tot op latere leeftijd. Dat blijkt uit cohortonderzoek waarin de generatie die is geboren in 1970 wordt gevolgd. Kinderen die op 10-jarige leeftijd regelmatig een boek of krant lezen, presteren op 16-jarige leeftijd beter op woordenschat, spelling en rekenen. Het leesgedrag beïnvloedt de cognitieve prestaties sterker dan het opleidingsniveau van de ouders (Sullivan & Brown, 2013).

Diversiteit in tekstsoorten hangt samen met leesvaardigheid

Wie veel verschillende tekstsoorten leest, is over het algemeen leesvaardiger. Een brede waaier aan leesmateriaal – van verhaalboeken tot krant- en tijdschriftartikelen – verklaart volgens PISA 13% van de verschillen in leesprestaties (Gille et al., 2010). Nederlandse 15-jarigen scoren laag op de diversiteitschaal, wat betekent dat hun leesdieet relatief weinig variatie kent (Cito, 2012).

Het lezen van fictie hangt het meest positief samen met de leesvaardigheid. Dit geldt zowel voor kinderen uit Nederland als voor kinderen uit andere PISA-landen. Het lezen van non-fictie, tijdschriften en kranten houdt eveneens positief verband met de leesprestaties. Nederlandse 15-jarigen hebben meer baat bij deze tekstsoorten dan leeftijdsgenootjes uit andere landen (OECD, 2011). Het gebruik van online leesmedia hangt alleen positief samen met de leesvaardigheid als er geen sprake is van sociale interactie: e-mails en chats pakken niet gunstig uit, nieuwsberichten, encyclopedieën en het zoeken van informatie wel (OECD, 2015; Pfost, Dörfler & Artelt, 2013).

Diversiteit in leesstrategieën hangt samen met leesvaardigheid

Wie veel verschillende leesstrategieën beheerst, is over het algemeen leesvaardiger. De bekendheid van 15-jarigen met tactieken om informatie te begrijpen, te herinneren, samen te vatten en in verband te brengen met hun eigen kennis verklaart 20% van de verschillen in leesprestaties (Gille et al., 2010). Nederlandse 15-jarigen scoren laag op de strategieschaal. Dat betekent dat ze zich relatief weinig bewust zijn van effectieve leesstrategieën (PISA in Focus, 2013).

Leesvaardigheid werkt door in andere vaardigheden

Talige competenties, zoals fonologisch bewustzijn en grammaticale kennis, zijn van belang om te leren rekenen. Leerlingen uit groep 1 tot en met 4 met een taalachterstand, lopen daarom vaak ook achter met rekenen (Kleemans, 2013).

Volwassen Nederlanders met een beperkte leesvaardigheid hebben vaak ook achterstanden in andere competenties. Zo presteert driekwart van de laaggeletterden tevens op het allerlaagste niveau voor rekenen en probleemoplossend vermogen (Buisman & Houtkoop, 2014).