Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Lezen in de kinderopvang

-> Vrijwel alle pedagogisch medewerkers in kinderopvanginstellingen lezen voor. Hiermee willen ze onder andere de taalontwikkeling stimuleren.

-> De boekencollectie op kindcentra is over het algemeen divers en bereikbaar voor de kinderen.

-> Voorlezen is bij ruim de helft van de kinderopvanginstellingen onderdeel van het beleidsplan.

-> Pedagogisch medewerkers helpen kinderen zich te ontwikkelen door het bieden van emotionele en educatieve begeleiding.

-> De ruim 2.400 peuterspeelzalen en kinderdagverblijven die meedoen met BoekStart in de kinderopvang schenken meer aandacht aan leesbevordering dan niet-deelnemende instellingen.

-> Op de buitenschoolse opvang zijn (voor)lezen en een boekencollectie minder vanzelfsprekend dan in de kinderopvang.

-> De kinderopvang en buitenschoolse opvang maken een forse groei door.

(Voor)leesklimaat in kinderopvang is op orde

Voorlezen is een veelvoorkomende dagactiviteit op kinderopvanginstellingen. 99% van de pedagogisch medewerkers vindt regelmatig voorlezen belangrijk, en de meerderheid leest een of meerdere keren per dag voor. De meest genoemde redenen om voor te lezen zijn het stimuleren van de taalontwikkeling van kinderen, het creëren van rustmomenten in de groep en de kinderen plezier laten beleven. Per sessie wordt er gemiddeld zo’n 11 minuten voorgelezen. Het belangrijkste obstakel om voor te lezen is tijdgebrek (Kantar, 2020). Deze uitkomsten zijn nagenoeg stabiel ten opzichte van vier jaar terug (Kantar, 2017).

Pedagogisch medewerkers lezen zowel voor aan baby’s (60% doet dit dagelijks) als aan dreumessen (64% doet dit dagelijks) en peuters (76% doet dit dagelijks) (Kantar, 2020). 89% van de pedagogisch medewerkers ziet het belang van voorlezen voor de taalontwikkeling van baby’s (Kantar, 2017). 33% vindt het (een beetje) moeilijk om aan baby’s voor te lezen, en 11% zou meer ondersteuning zou willen krijgen bij het voorlezen aan baby’s (Kantar, 2020).

Pedagogisch medewerkers tevreden over boekencollectie

Het aantal boeken dat beschikbaar is op kinderopvanginstellingen varieert. De collectie babyboeken bestaat bij de meeste kindcentra uit maximaal 20 exemplaren. De collectie prentenboeken is gemiddeld groter, tot 40 prentenboeken. 75% van de pedagogisch medewerkers geeft aan dat alle kinderen op de groep zelfstandig een boekje kunnen pakken. Meestal staat (een deel van de) boekjes op ooghoogte van de kinderen, en zijn ze zichtbaar doordat ze met de kaft naar voren in een boekenkast of op een boekenplank staan (Kantar, 2020).

Een ruime meerderheid van de pedagogisch medewerkers is tevreden over de diversiteit van de boekencollectie wat betreft thema’s en onderwerpen, genres en de aansluiting op verschillende leeftijden en taalniveaus. Digitale prentenboeken zijn volgens 69% van de pedagogisch medewerkers onvoldoende aanwezig in de collectie. Ruim de helft van de kindcentra koopt een paar keer per jaar nieuwe boeken (Kantar Public, 2020).

Voorlezen in meerderheid kindcentra opgenomen in beleid

Voorlezen maakt bij 53% van de kinderopvanginstellingen onderdeel uit van het beleidsplan (Kantar, 2020). Dit is minder dan de 66% vier jaar eerder (Kantar, 2017). 17% heeft (daarnaast) een specifiek voorleesplan (Kantar, 2020). Dit is meer dan de 12% vier jaar eerder (Kantar, 2017). De meeste aandacht in deze plannen gaat uit naar het verbinden van voorlezen aan een thema, het creëren van voorleesmomenten, het voorlezen aan baby’s en het begeleiden van taalzwakke kinderen. Een derde van de instellingen heeft voorlezen in geen enkel beleids-, voorlees-, werk- of opleidingsplan opgenomen. 26% van de kindcentra beschikt over een voorleescoördinator. Dit is meestal één van de pedagogisch medewerkers, en een lichte daling ten opzichte van de 27% van de kinderdagverblijven en 32% van peuterspeelzalen vier jaar eerder (Kantar, 2020; Kantar, 2017).

Driekwart van de kindcentra werkt samen met de bibliotheek. Deze samenwerking bestaat in de meeste gevallen uit het regelmatig lenen van bibliotheekboeken, het bezoeken van de bibliotheek met de kinderen, en het gezamenlijk organiseren van ouderactiviteiten. De meerderheid van de kindcentra zoekt geen afstemming met de basisschool wat betreft taal- en leesbeleid (Kantar, 2020).

De meerderheid van de kindcentra biedt één of meer keren per jaar scholingsmogelijkheden aan pedagogisch medewerkers. 36% van de pedagogisch medewerkers heeft scholing gevolgd over voorlezen en/of taalstimulering (Kantar, 2020). Driekwart van de bibliotheken geeft trainingen en andere vormen van ondersteuning aan pedagogisch medewerkers, bijvoorbeeld op het gebied van interactief voorlezen (Koninklijke Bibliotheek, 2020).

Emotionele en educatieve begeleiding helpen kind zich ontwikkelen

Pedagogisch medewerkers op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen staan over het algemeen open voor signalen van kinderen en leven zich in hen in. Met deze emotionele begeleiding stimuleren ze de woordenschat. Ze schenken relatief minder aandacht aan voorlezen, samen puzzels maken, kringgesprekken voeren en ‘doen alsof’-fantasiespellen. Pedagogisch medewerkers die deze vormen van educatieve begeleiding bieden, helpen kinderen de concentratie, het taalvermogen en de cognitieve vaardigheden te ontwikkelen (Slot, 2014).

Pedagogisch medewerkers die investeren in zowel de emotionele als educatieve begeleiding, zijn over het algemeen beter opgeleid. Ook krijgen ze voldoende kansen om zichzelf professioneel te ontwikkelen. Tot slot wordt er op de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven waar zij werkzaam zijn vaker gebruik gemaakt van voor- en vroegschoolse educatieve (VVE-)programma’s (Slot, 2014).

Studies naar de effectiviteit van VVE-programma’s, die zich richten op het voorkomen van achterstanden bij risicogroepen, laten uiteenlopende resultaten zien. Een meta-analyse van 21 studies vindt geen effecten op taal en de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen (Fukkink, Jilink & Oostdam, 2015). Uit cohort-onderzoek blijkt dat doelgroepkinderen de achterstand op taal en woordenschat deels weten in te lopen. De inhaaleffecten zijn het sterkst bij kinderen met een niet-westerse culturele achtergrond of een andere thuistaal dan het Nederlands; minder sterk zijn ze bij kinderen met een laagopgeleide moeder (Leseman & Veen, 2016).

Meer aandacht voor leesbevordering met BoekStart in de kinderopvang

Het programma BoekStart in de Kinderopvang ligt in het verlengde van BoekStart voor baby’s. Bibliotheken faciliteren kinderdagverblijven en peuterspeelzalen om een stimulerende leesomgeving te creëren, met aandacht voor voorlezen en een rijke, actuele en gevarieerde boekencollectie. 116 basisbibliotheken bieden BoekStart in de Kinderopvang aan, 80% van het totaal. 2.429 van de ruim 9.000 kinderdagverblijven en peuterspeelzalen doen mee, een landelijke dekking van 27%. Er worden via deze weg in totaal ruim 120.000 jonge kinderen bereikt (Koninklijke Bibliotheek, 2020).

Voorlezen vindt vaker plaats op kinderdagverblijven met BoekStart in de Kinderopvang. 85% van de pedagogisch medewerkers op BoekStart-instellingen leest dagelijks voor, terwijl het op de instellingen zonder BoekStart gaat om 75% (Kantar, 2017). Pedagogisch medewerkers op BoekStart-instellingen lezen bovendien vaker interactief voor, bijvoorbeeld door vragen te stellen, en het voorleesritueel en de verhaalverwerking zijn er uitgebreider. Ook is er op deelnemende locaties meer aandacht voor taalzwakke kinderen en ouderbetrokkenheid (Kantar, 2020; Kantar, 2017).

Kindcentra met BoekStart in de Kinderopvang verankeren leesbevordering relatief sterk in het beleid. Er is vaker dan op niet-deelnemende instellingen een voorleescoördinator actief en voorlezen is vaker opgenomen in het beleids-, voorlees-, werk-, of opleidingsplan. Ook is de kennis van kinderboeken van pedagogisch medewerkers groter, heeft een groter aantal pedagogisch medewerkers een voorleescursus gevolgd, en is er een intensievere samenwerking met de bibliotheek (Kantar, 2020).

BoekStart-Boekenpret streeft ernaar om via de kinderopvang laagtaalvaardige ouders tot voorlezen te stimuleren en hun kinderen extra voorleestijd te bieden. 35 basisbibliotheken bieden het programma aan, 24% van het totaal (Koninklijke Bibliotheek, 2020). De interventie is opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut.

(Voor)leesklimaat op bso weinig vanzelfsprekend

Lezen behoort op de buitenschoolse opvang (bso) tot de activiteiten waaraan kinderen het minste plezier beleven. 53% noemt boeken lezen ‘leuk’, minder dan buitenspelen (94%), de andere kinderen (88%), het speelgoed (87%), knutselen (77%) en computerspelletjes spelen (58%). 9- tot 12-jarigen zeggen minder plezier te beleven aan het lezen van boeken op de bso dan 5- tot 8-jarigen (TNS Nipo, 2012).

Voorlezen is op de bso een minder vanzelfsprekende dagactiviteit dan in de kinderopvang. Pedagogisch medewerkers zien het vooral als rustmoment voor de kinderen, na een lange schooldag. 71% leest minstens één keer per week voor aan 4- tot 6-jarigen, 50% aan 7- en 8-jarigen en 23% aan 9- tot 12-jarigen. Ruim zes op de tien bso-medewerkers laten kinderen op deze leeftijden minstens één keer per week zelfstandig in een boek lezen (TNS Nipo, 2013).

Negen van de tien bso’s beschikken over een eigen leeshoek. Kinderen kiezen er meestal zelf voor of ze een boek willen lezen op de bso. Dat past binnen het beleid van de meeste bso’s, dat activiteiten geen schools karakter hebben maar in het teken staan van de vrije tijd (TNS Nipo, 2013).

Het boekenaanbod op de bso, meestal in de vorm van een kist met boeken, wisselt sterk van kwaliteit. Sommige instellingen hebben een actuele, gevarieerde collectie, die regelmatig wordt ververst. Anderen doen het jarenlang met dezelfde boeken. De meeste bso-instellingen hebben geen beleid voor de aanschaf van nieuwe titels (TNS Nipo, 2013).

Meer kinderen naar kinderdagverblijven en bso’s, minder naar peuterspeelzalen

De kinderopvangsector beslaat twee soorten organisaties: kinderdagverblijven en peuterspeelzalen voor 0- tot 3-jarigen en de buitenschoolse opvang voor schoolgaande kinderen van 4 jaar en ouder. Nederland telde in oktober 2019 in totaal 9.028 locaties voor kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, en 7.398 locaties voor de buitenschoolse opvang (DUO Landelijk Register Kinderopvang & Ministerie SZW, 2019).

455.000 kinderen tussen de 0 en 3 jaar bezochten in 2018 een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal, 12% meer dan een jaar eerder. 453.000 kinderen van 4 tot 12 jaar zaten in 2018 op de buitenschoolse opvang, 9% meer dan een jaar eerder. Het aantal kinderen dat kinderdagverblijven en peuterspeelzalen bezoekt, is sinds 2008 met een derde gegroeid, terwijl dit voor de buitenschoolse opvang met tweederde is (CBS, 2019).

Citeren?
Leesmonitor (2020). Lezen in de kinderopvang. www.leesmonitor.nu/nl/lezen-in-de-kinderopvang
Quote?
Reading Monitor (2020). Lezen in de kinderopvang. www.leesmonitor.nu/nl/lezen-in-de-kinderopvang