Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Lezen op school

-> Fusies en overnames zorgen voor een krimp van het aantal onderwijsinstellingen.

-> De leerlingpopulatie blijft groeien, met name op de hogere opleidingsniveaus.

-> Basisscholieren krijgen een groeiend aantal lesuren in taal en lezen.

-> De aandacht voor leesbevordering in het basisonderwijs groeit. Scholen ruimen vooral lestijd in voor vrij lezen.

-> Vmbo-docenten zien het leesplezier als motief én uitdaging om het lezen te bevorderen.

-> De meeste lestijd op het vmbo wordt gereserveerd voor vrij lezen. Ook op de havo en het vwo is dit het geval.

-> De manier waarop pabo-instellingen kinder- en jeugdliteratuur behandelen, loopt sterk uiteen.

Aantal onderwijsinstellingen krimpt

Nederland telt steeds minder onderwijsinstellingen. Dit geldt in de hele breedte, van het basis- en het voortgezet tot het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Alleen het aantal universiteiten is sinds de eeuwwisseling gestegen. De afname komt door fusies en overnames die op grote schaal hebben plaatsgevonden. Alleen in het basisonderwijs is de daling het gevolg van een geringere instroom van nieuwe leerlingen (CBS, 2018).

Onderwijsinstellingen

In aantallen

Onderwijsinstellingen beroepsonderwijs

In aantallen

Het basisonderwijs telt ongeveer evenveel openbare (32%), rooms-katholieke (31%) als protestants-christelijke scholen (30%) (Onderwijs in Cijfers, 2018). In het voortgezet onderwijs zit 75% van de leerlingen op een scholengemeenschap, bestaande uit vmbo, havo en/of vwo (Onderwijs in Cijfers, 2018).

De leerlingpopulatie groeit

Nederland telt steeds meer leerlingen, studenten en andere onderwijsvolgenden. Hoe hoger het onderwijsniveau, hoe groter de groei sinds de eeuwwisseling. Het aantal middelbare scholieren is sinds 2000-2001 met 10% toegenomen, het aantal mbo’ers met 8%, het aantal hbo’ers met 45% en het aantal universitair studenten met 68%. Alleen het aantal basisscholieren is sinds 2000-2001 licht gedaald, met 9%. Dit komt omdat er minder kinderen geboren worden (CBS, 2018; CBS, 2018).

Leerlingen

In aantallen 

Als gevolg van een lager geboortecijfer gaat de populatie in het voortgezet onderwijs de komende jaren eveneens krimpen. Het aantal mbo-scholieren loopt al terug sinds 2010-2011. Deze trend zet zich de komende jaren voort. De oorzaak is dat steeds meer middelbare scholieren naar het hoger onderwijs doorstromen. De groeiende aanwas op het hbo en de universiteit zet zich de komende jaren door, zij het minder sterk dan in het verleden (Onderwijs in Cijfers, 2018).

42% van de middelbare scholieren zit in een algemeen leerjaar, goed voor 400.044 leerlingen. 23% volgt vmbo jaar 3 of 4 (215.190 leerlingen), 17% havo jaar 3 tot en met 5 (166.817 leerlingen) en 18% vwo jaar 3 tot en met 6 (173.873 leerlingen). Terwijl het aantal vmbo-leerlingen de laatste jaren daalt, is het aantal havisten en vwo’ers toegenomen (CBS, 2018).

Le(e)stijd krijgt meer prioriteit

Taal en lezen hebben in het basisonderwijs de laatste vijftien jaar meer prioriteit gekregen. Leerkrachten besteden wekelijks 8,3 uur aan leesonderwijs, evenveel als in 2011 (8,4 uur), maar meer dan in 2006 (7,8 uur) en 2001 (7,7 uur) (Expertisecentrum Nederlands, 2017). In de middenbouw is de helft van de leestijd bestemd voor technisch lezen. In de bovenbouw verschuift de focus naar begrijpend en studerend lezen. De aandacht voor woordenschat blijft, met drie kwartier per week, min of meer hetzelfde in midden- en bovenbouw (Cito, 2014).

Er bestaan grote verschillen tussen individuele docenten in de lestijd die ze voor lezen inruimen (Cito, 2014). Dit komt doordat Nederlandse scholen zelf de samenstelling van het curriculum bepalen. De overheid legt hen, anders dan in veel andere landen, geen eisen op qua lestijd aan lezen, schrijven en literatuur (OECD, 2018).

In het voortgezet onderwijs is er relatief weinig aandacht voor de kernvakken taal en rekenen. Nederlandse middelbare scholieren krijgen hierin gemiddeld 13,8 uur per week les, tegenover een internationaal gemiddelde van wekelijks 17,9 uur. Dit verschil is er ook voor lezen, schrijven en literatuur, met 4,9 uur per week voor Nederland tegenover 6,3 uur internationaal (Scheerens et al., 2013).

Basisscholen hebben meer aandacht voor leesbevordering

Basisscholen ruimen steeds meer lestijd in voor activiteiten die in het teken staan van leesplezier. Het aantal leerlingen dat dagelijks 'vrij leest' op school is sinds 2001 bijna verdubbeld, van 45% naar 87% (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Zij doen dit ongeveer anderhalf uur per week, ofwel ruim een kwartier per dag. Dit is het geval in de groepen 4 tot en met 8 (Monitor de Bibliotheek op school, 2013). 

Het voorlezen in de klas nam tot 2011 eveneens toe, om de laatste vijf jaar te dalen. 55% van de docenten leest dagelijks voor aan de groep, tegen 65% in 2011. 44% laat leerlingen hardop voorlezen, tegen 60% in 2011 (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Voorlezen gebeurt vooral in de onderbouw. Tot en met groep 3 maken vrijwel alle leerkrachten er een paar keer per week tijd voor vrij, in groep 7 en 8 is dit nog de helft (Monitor Bibliotheek op school, 2013).

Toetsen en opdrachten bij het lezen en voorlezen raken uit de mode. 66% van de leerkrachten laat leerlingen spreekbeurten houden over gelezen boeken (dat was 84% in 2005), terwijl 50% hen de opdracht geeft om een boekverslag te schrijven (dat was 62% in 2005) (Cito, 2014). Wel is er veel aandacht voor vrije, creatieve verwerking. Op 76% van de basisscholen worden introducties gehouden, met een korte presentatie over een (nieuw) boek, op 56% kringen, met een informeel gesprek/discussie tussen docent en leerling(en) over een boek, en op 40% creatieve activiteiten zoals het maken van een film of toneelstuk bij een boek (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

Vrijwel alle leerkrachten overleggen regelmatig met hun team en/of directie over leesbevordering. Bovendien nemen ze met hun leerlingen een of meerdere keren per jaar deel aan een campagne (Monitor de Bibliotheek op school, 2013). Zo doet 95% mee aan activiteiten in het kader van de Kinderboekenweek en 39% van regionale voorleeswedstrijden (Cito, 2014).

Veel basisscholen borgen leesbevordering in de organisatie. Bij 75% is het een structureel onderdeel van het beleidsplan. 37% vertaalt het algemene beleid vervolgens in een Leesplan, waarin de visie, doelen, en het jaarprogramma op het gebied van het plezierlezen zijn vastgelegd. Bij 51% draagt de leescoördinator, een docent gespecialiseerd in leesbevordering, de hoofdverantwoordelijkheid voor het beleid (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

De groeiende aandacht voor leesbevordering in het basisonderwijs is een meerjarige trend. Ook tussen 1994 en 2004 was er sprake van een toename (Bonset & Hoogeveen, 2009).

De meeste leerkrachten in het basisonderwijs lezen zelf kinder- en jeugdboeken. De helft schopt het tot tien titels per jaar; bijna 30% leest er meer dan tien. Bijna een kwart leest geen kinder – en jeugdboeken of deed dat enkel in het verleden. Tweederde van de docenten geeft aan ‘enigszins’ op de hoogte te zijn van het recente aanbod van kinder- en jeugdliteratuur, terwijl een kwart zich ‘zeer goed’ op de hoogte voelt (La Roi, 2010).

Cursus Open Boek

Deze training leidt basisschoolleerkrachten op tot leescoördinator. Na afloop kunnen ze aan de slag met het leesbevorderingsbeleid op hun school. Voor scholen die meedoen aan de Bibliotheek op school is deelname verplicht. De training gaat in op de geschiedenis van de jeugdliteratuur, manieren om een goed functionerende schoolbibliotheek op te zetten, het organiseren van boekenkringen en boekengesprekken en het betrekken van ouders bij de leesopvoeding. Er zijn inmiddels 100 trainers aan de slag, die circa 2.500 leescoördinatoren hebben opgeleid. Op 66% van de basisscholen is een leescoördinator actief; op 51% is deze zelfs hoofdverantwoordelijke voor het leesbevorderingsbeleid. Het is niet bekend of deze leescoördinatoren allemaal zijn opgeleid met de cursus Open Boek (DUO Omnibusonderzoek, 2014).

Leesplezier is motief én uitdaging op vmbo

Vrij lezen is de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit op het vmbo. 71% van de vmbo-docenten Nederlands geeft aan dat het een structureel onderdeel is van het lesprogramma. Twee derde ruimt minimaal een keer per week tijd in voor vrij lezen, gemiddeld ongeveer 23 minuten. Andere activiteiten komen minder vaak voor. 28% van de docenten doet minimaal een keer per week aan voorlezen, 26% aan het geven van boekadviezen, 17% aan het houden van boekintroducties en 17% aan het voeren van boekgesprekken (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Activiteiten buiten het klaslokaal vinden nog minder vaak plaats. De mediatheek wordt door een kwart van de docenten een keer per half jaar en door een kwart een keer per jaar bezocht. 32% brengt een keer per jaar met de klas een bezoek aan de openbare bibliotheek, terwijl 42% op jaarbasis een auteur uitnodigt in de klas. Bezoeken aan de lokale boekhandel vinden nagenoeg niet plaats (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Vmbo-docenten noemen in het bijzonder drie motieven om aandacht te geven aan leesbevordering: het vergroten van de woordenschat, van de leesvaardigheid en van het leesplezier. Tevens zien ze in deze zaken de voornaamste uitdaging: 64% noemt als barrière dat leerlingen lezen ‘suf’ vinden, terwijl volgens 41% de leesvaardigheid onvoldoende is om het lezen te kunnen bevorderen. 44% vindt dat het lesprogramma te weinig tijd biedt om aan leesbevordering te doen (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Leesbevordering is op het merendeel van de vmbo-scholen in meer of mindere mate geborgd in het beleid. 80% van de docenten zegt dat leesbevordering is opgenomen in het beleidsplan, 60% heeft een taal- en/of leescoördinator aangesteld, 57% heeft een leesplan en 48% onderhoudt een structurele samenwerking met de bibliotheek - dan wel werkt eraan deze zaken te realiseren. 47% neemt deel aan een of meer leesbevorderingscampagnes, zoals De Jonge Jury of De Weddenschap (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Vrij lezen populairst op havo en vwo

Vrij lezen is op de havo en het vwo de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit. 60% van de docenten Nederlands geeft aan dat het een structureel onderdeel is van het lesprogramma. Op een derde van de scholen wordt minimaal één keer per week vrij gelezen, gemiddeld ongeveer een half uur. Andere leesbevorderingsactiviteiten die met regelmaat op het programma staan, zijn boekintroducties en boekgesprekken. Dit gebeurt overwegend minimaal één keer per maand. Activiteiten die in de regel op jaarbasis worden georganiseerd, zijn klassenbezoeken aan de mediatheek en de openbare bibliotheek, deelname aan een leesbevorderingscampagne of een schrijver die de school bezoekt. Bezoeken aan de lokale boekhandel vinden nagenoeg niet plaats (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Diversiteit troef bij leesbevordering op de pabo

De aandacht voor kinder- en jeugdboeken op de pabo is redelijk prominent. 63% van de instellingen biedt jeugdliteratuur aan als zelfstandig vak. Als dit niet het geval is, dan heeft het elders in het curriculum een plekje. Op vrijwel alle pabo's is jeugdliteratuur een onderdeel van andere vakken of thema's – met name van taal, rekenen en geschiedenis (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Pabo’s schenken in deze lessen aandacht aan het belang van lezen, prentenboeken, voorlezen, boekpromotie en leesbevordering. De manier waarop ze dat doen loopt sterk uiteen. Zo zijn er veel verschillende methodes in omloop. De meest gebruikte zijn het handboek Verborgen Talenten van Coutinho, de boeken Vertel eens en De leesomgeving van Aidan Chambers en de cursus Open Boek van Stichting Lezen (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Ook de omvang en aard van de leeslijst verschilt. Zo lezen studenten op de ene pabo gedurende hun opleiding zo'n tien kinder- en jeugdboeken en op de andere wel vijftig. Terwijl de leeslijst op 15% van de pabo’s verplicht is, kiezen studenten op ruim de helft van de pabo's hun boeken in samenspraak met de docent en op basis van de opleidingseisen (met name diversiteit aan genres en literaire kwaliteit) (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Op vrijwel alle pabo’s zijn de kinder- en jeugdboeken te vinden in de schoolmediatheek. De collecties zijn volgens docenten Nederlands echter voor verbetering vatbaar. Dit betreft zowel de gevarieerdheid als de kwaliteit van de boeken (Oberon/Stichting Lezen, 2014).