Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Lezen op school

-> Basisscholieren krijgen een groeiend aantal lesuren in taal en lezen.

-> Basisscholen schenken vooral aandacht aan leesbevordering door tijd te maken voor vrij lezen, gevolgd door voorlezen. Twee op de drie docenten leest zelf kinderboeken.

-> Vmbo-docenten zien het leesplezier als motief én uitdaging om het lezen te bevorderen.

-> De meeste lestijd op het vmbo wordt gereserveerd voor vrij lezen. Ook op de havo en het vwo is dit het geval.

-> De manier waarop pabo-instellingen kinder- en jeugdliteratuur behandelen, loopt sterk uiteen.

-> Fusies en overnames zorgen voor een krimp van het aantal onderwijsinstellingen.

-> De leerlingpopulatie blijft groeien, met name op de hogere opleidingsniveaus.

Le(e)stijd krijgt meer prioriteit

Taal en lezen hebben in het basisonderwijs de laatste vijftien jaar meer prioriteit gekregen. Leerkrachten besteden wekelijks 8,3 uur aan leesonderwijs, evenveel als in 2011 (8,4 uur), maar meer dan in 2006 (7,8 uur) en 2001 (7,7 uur) (Expertisecentrum Nederlands, 2017). In de middenbouw is de helft van de leestijd bestemd voor technisch lezen. In de bovenbouw verschuift de focus naar begrijpend en studerend lezen. De aandacht voor woordenschat blijft, met drie kwartier per week, min of meer hetzelfde in midden- en bovenbouw (Cito, 2014).

Er bestaan grote verschillen tussen individuele docenten in de lestijd die ze voor lezen inruimen (Cito, 2014). Dit komt doordat Nederlandse scholen zelf de samenstelling van het curriculum bepalen. De overheid legt hen, anders dan in veel andere landen, geen eisen op qua lestijd aan lezen, schrijven en literatuur (OECD, 2019).

In het voortgezet onderwijs is er relatief weinig aandacht voor de kernvakken taal en rekenen. Nederlandse middelbare scholieren krijgen hierin gemiddeld 13,8 uur per week les, tegenover een internationaal gemiddelde van wekelijks 17,9 uur. Dit verschil is er ook voor lezen, schrijven en literatuur, met 4,9 uur per week voor Nederland tegenover 6,3 uur internationaal (Scheerens et al., 2013).

Basisscholen maken vooral tijd voor vrij lezen

Basisscholen ruimen steeds meer lestijd in voor activiteiten die in het teken staan van leesplezier. Het aantal leerlingen dat dagelijks ‘vrij leest’ op school is sinds 2001 bijna verdubbeld, van 45% naar 87% (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Zij doen dit gemiddeld ongeveer anderhalf uur per week, ofwel ruim een kwartier per dag. Dit is het geval in de groepen 4 tot en met 8 (Monitor de Bibliotheek op school, 2013).

Het voorlezen in de klas nam tot 2011 eveneens toe, om in de daaropvolgende vijf jaar te dalen. 55% van de docenten las in 2016 dagelijks voor aan de groep, tegen 65% in 2011. 44% liet leerlingen in 2016 hardop voorlezen, tegen 60% in 2011 (Expertisecentrum Nederlands, 2017). Voorlezen gebeurt vooral in de onderbouw. Tot en met groep 3 maken vrijwel alle leerkrachten er een paar keer per week tijd voor vrij, in groep 7 en 8 is dit nog de helft (Monitor de Bibliotheek op school, 2013).

Een kleiner aantal leerkrachten schenkt aandacht aan andere leesbevorderende activiteiten. 63% van de docenten organiseert weleens een boekintroductie, 21% praat individueel met leerlingen over boeken en 40% doet dit in groepsverband, 65% vraagt leerlingen weleens om zelf een verhaal of gedicht te schrijven, 36% organiseert creatieve activiteiten rondom een boek, en 29% zet verhalende boeken in bij de zaakvakken (DUO Onderwijsonderzoek, 2019). Toetsen en opdrachten bij het lezen en voorlezen raken minder in zwang. 66% van de leerkrachten laat leerlingen spreekbeurten houden over gelezen boeken (dat was 84% in 2005), terwijl 50% hen de opdracht geeft om een boekverslag te schrijven (dat was 62% in 2005) (Cito, 2014).

Vrijwel alle leerkrachten overleggen regelmatig met hun team en/of directie over leesbevordering (Monitor de Bibliotheek op school, 2013). Bovendien nemen vrijwel alle leerkrachten met hun leerlingen een of meerdere keren per jaar deel aan een campagne (DUO Onderwijsonderzoek, 2019). Zo doet 95% mee aan activiteiten in het kader van de Kinderboekenweek en 39% van regionale voorleeswedstrijden (Cito, 2014).

Veel basisscholen borgen leesbevordering in de organisatie. Bij 52% vormt leesbevordering een structureel onderdeel van het beleidsplan, een daling ten opzichte van de driekwart in 2014. 38% van de basisscholen vertaalt dit algemene beleid in een leesplan, waarin de visie, doelen, en het jaarprogramma op het gebied van lezen voor het plezier zijn vastgelegd, nagenoeg evenveel als de 37% in 2014. Bij 63% van de basisscholen is een leescoördinator, een docent gespecialiseerd in leesbevordering, aanwezig, een lichte daling ten opzichte van de twee derde in 2014 (DUO Omnibusonderzoek, 2019; 2014).

Twee derde van de leerkrachten geeft aan weleens kinderboeken te lezen in de vrije tijd (DUO Onderwijsonderzoek, 2019). Dit is minder dan de driekwart tien jaar geleden (La Roi, 2010). Vier op de tien leerkrachten leest ten minste wekelijks een kinderboek in de vrije tijd. Van een lijst met twintig recente kinderboeken (voor ofwel de onderbouw ofwel de bovenbouw) las twee derde van de docenten geen enkele titel (DUO Onderwijsonderzoek, 2019).

Cursus Open Boek

Deze training leidt basisschoolleerkrachten op tot leescoördinator. Na afloop kunnen ze aan de slag met het leesbevorderingsbeleid op hun school. Voor scholen die meedoen aan de Bibliotheek op school is deelname verplicht. De training gaat in op de geschiedenis van de jeugdliteratuur, manieren om een krachtig functionerende schoolbibliotheek op te zetten, het organiseren van boekenkringen en boekengesprekken en het betrekken van ouders bij de leesopvoeding. 17% van de leescoördinatoren op basisscholen in Nederland is opgeleid in de cursus Open Boek. Bij scholen met de Bibliotheek op school gaat het om 27% (DUO Onderwijsonderzoek, 2019).

Leesplezier is motief én uitdaging op vmbo

Vrij lezen is de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit op het vmbo. 71% van de vmbo-docenten Nederlands geeft aan dat het een structureel onderdeel is van het lesprogramma. Twee derde ruimt minimaal een keer per week tijd in voor vrij lezen, gemiddeld ongeveer 23 minuten. Andere activiteiten komen minder vaak voor. 28% van de docenten doet minimaal een keer per week aan voorlezen, 26% aan het geven van boekadviezen, 17% aan het houden van boekintroducties en 17% aan het voeren van boekgesprekken (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Activiteiten buiten het klaslokaal vinden nog minder vaak plaats. De mediatheek wordt door een kwart van de docenten een keer per half jaar en door een kwart een keer per jaar bezocht. 32% brengt een keer per jaar met de klas een bezoek aan de openbare bibliotheek, terwijl 42% op jaarbasis een auteur uitnodigt in de klas. Bezoeken aan de lokale boekhandel vinden nagenoeg niet plaats (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Vmbo-docenten noemen in het bijzonder drie motieven om aandacht te geven aan leesbevordering: het vergroten van de woordenschat, van de leesvaardigheid en van het leesplezier. Tevens zien ze in deze zaken de voornaamste uitdaging: 64% noemt als barrière dat leerlingen lezen ‘suf’ vinden, terwijl volgens 41% de leesvaardigheid onvoldoende is om het lezen te kunnen bevorderen. 44% vindt dat het lesprogramma te weinig tijd biedt om aan leesbevordering te doen (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Leesbevordering is op het merendeel van de vmbo-scholen in meer of mindere mate geborgd in het beleid. 80% van de docenten zegt dat leesbevordering is opgenomen in het beleidsplan, 60% heeft een taal- en/of leescoördinator aangesteld, 57% heeft een leesplan en 48% onderhoudt een structurele samenwerking met de bibliotheek - dan wel werkt eraan deze zaken te realiseren. 47% neemt deel aan een of meer leesbevorderingscampagnes, zoals De Jonge Jury of De Weddenschap (DUO Onderwijsonderzoek, 2017).

Vrij lezen populairst op havo en vwo

Vrij lezen is op de havo en het vwo de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit. 60% van de docenten Nederlands geeft aan dat het een structureel onderdeel is van het lesprogramma. Op een derde van de scholen wordt minimaal één keer per week vrij gelezen, gemiddeld ongeveer een half uur. Andere leesbevorderingsactiviteiten die met regelmaat op het programma staan, zijn boekintroducties en boekgesprekken. Dit gebeurt overwegend minimaal één keer per maand. Activiteiten die in de regel op jaarbasis worden georganiseerd, zijn klassenbezoeken aan de mediatheek en de openbare bibliotheek, deelname aan een leesbevorderingscampagne of een schrijver die de school bezoekt. Bezoeken aan de lokale boekhandel vinden nagenoeg niet plaats (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Diversiteit troef bij leesbevordering op de pabo

De aandacht voor kinder- en jeugdboeken op de pabo is redelijk prominent. 63% van de instellingen biedt jeugdliteratuur aan als zelfstandig vak. Als dit niet het geval is, dan heeft het elders in het curriculum een plekje. Op vrijwel alle pabo's is jeugdliteratuur een onderdeel van andere vakken of thema's – met name van taal, rekenen en geschiedenis (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Pabo’s schenken in deze lessen aandacht aan het belang van lezen, prentenboeken, voorlezen, boekpromotie en leesbevordering. De manier waarop ze dat doen loopt sterk uiteen. Zo zijn er veel verschillende methodes in omloop. De meest gebruikte zijn het handboek Verborgen Talenten van Coutinho, de boeken Vertel eens en De leesomgeving van Aidan Chambers en de cursus Open Boek van Stichting Lezen (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Ook de omvang en aard van de leeslijst verschilt. Zo lezen studenten op de ene pabo gedurende hun opleiding zo'n tien kinder- en jeugdboeken en op de andere wel vijftig. Terwijl de leeslijst op 15% van de pabo’s verplicht is, kiezen studenten op ruim de helft van de pabo's hun boeken in samenspraak met de docent en op basis van de opleidingseisen (met name diversiteit aan genres en literaire kwaliteit) (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Op vrijwel alle pabo’s zijn de kinder- en jeugdboeken te vinden in de schoolmediatheek. De collecties zijn volgens docenten Nederlands echter voor verbetering vatbaar. Dit betreft zowel de gevarieerdheid als de kwaliteit van de boeken (Oberon/Stichting Lezen, 2014).

Aantal onderwijsinstellingen krimpt

Nederland telt een dalend aantal onderwijsinstellingen. Dit geldt in de hele breedte, van het basis- en het voortgezet tot het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Alleen het aantal universiteiten is sinds de eeuwwisseling gestegen. De afname komt door fusies en overnames die op grote schaal hebben plaatsgevonden. In het basisonderwijs is de daling tevens het gevolg van een geringere instroom van nieuwe leerlingen (CBS, 2019). Dit komt weer doordat er in Nederland minder kinderen worden geboren (CBS, 2019).

Onderwijsinstellingen

In aantallen

Onderwijsinstellingen beroepsonderwijs

In aantallen

Het basisonderwijs telt ongeveer evenveel openbare (32%), rooms-katholieke (30%) als protestants-christelijke scholen (30%) (Onderwijs in Cijfers, 2019). De 649 instellingen in het voortgezet onderwijs beschikken over 1.454 vestigingen. Ongeveer driekwart van de instellingen betreft een scholengemeenschap, bestaande uit vmbo, havo en/of vwo (Onderwijs in Cijfers, 2019).

De leerlingpopulatie groeit

Nederland telt een groeiend aantal leerlingen, studenten en andere onderwijsvolgenden. Hoe hoger het onderwijsniveau, hoe groter de groei sinds de eeuwwisseling. Het aantal middelbare scholieren is sinds 2000-2001 met 8% toegenomen, het aantal mbo’ers met 10%, het aantal hbo’ers met 46% en het aantal universitair studenten met 77%. Alleen het aantal basisscholieren is sinds 2000-2001 met 10% gedaald (CBS, 2019). Dit komt doordat er in Nederland minder kinderen worden geboren (CBS, 2019).

Leerlingen

In aantallen

Leerlingen beroepsonderwijs

In aantallen

Als gevolg van het dalende geboortecijfer is het aantal middelbare scholieren eveneens begonnen met krimpen. Het aantal mbo-scholieren liep terug tussen 2010-2011 en 2015-2016, om sindsdien weer op te krabbelen. Na 2020 zet zich naar voorspelling opnieuw een daling in. Op het hbo wordt vanaf dit moment eveneens een daling voorzien. De aanwas op de universiteit zet zich de komende jaren door, om rond 2030 te gaan dalen (Onderwijs in Cijfers, 2019).

40% van de middelbare scholieren zit in een algemeen leerjaar, goed voor 389.042 leerlingen. 22% volgt vmbo jaar 3 of 4 (209.760 leerlingen), 17% havo jaar 3 tot en met 5 (166.100 leerlingen) en 18% vwo jaar 3 tot en met 6 (174.098 leerlingen). Terwijl het aantal vmbo-leerlingen de laatste jaren daalt, is het aantal havisten en vwo’ers toegenomen (CBS, 2019).