Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Voorleestijd

-> 40% van de Nederlandse bevolking leest weleens voor, nagenoeg evenveel als in voorgaande jaren.

-> Voorlezen vindt meestal plaats in de familiesfeer, aan kinderen, kleinkinderen en/of neefjes en nichtjes.

-> Tweederde van de Nederlandse ouders leest weleens voor, nagenoeg evenveel als in voorgaande jaren. Ouders gaan minder voorlezen als hun kind ouder wordt.

-> Moeders lezen vaker voor dan vaders - van papier én scherm. De meeste kinderen geven de voorkeur aan hun moeder als voorlezer.

-> Driekwart van de Nederlandse grootouders leest weleens voor, vooral als oppasser.

-> De meeste jonge kinderen maken eerst kennis met gedrukte boeken, daarna volgen de (digitale) schermmedia.

-> Het voorlezen duurt meestal tussen de 5 en 15 minuten en heeft een interactief karakter.

Voorleesgedrag Nederlanders door de jaren heen stabiel

Vier op de tien Nederlanders lezen weleens voor uit een boek (papier en/of digitaal). 8% doet dit (bijna) elke dag, nog eens 8% minstens een keer per week. Het aantal voorlezers daalt ten opzichte van voorgaande jaren: 59% leest nooit voor, terwijl dit voorheen 55% was. Ook zijn Nederlanders minder vaak gaan voorlezen. Zo las in 2016 nog 12% (bijna) elke dag voor. Toch is het aannemelijk dat het beeld in werkelijkheid stabiel is. De vraagstelling is in 2017 veranderd (zie bijschrift grafiek). Dit is de meest voor de hand liggende verklaring voor de daling (KvB Boekwerk & GfK, 2017, meting 41; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2013).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse bevolking

* Vraagstelling luidt: 'Hoe vaak leest u samen met een kind en/of volwassene voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2014-2016: 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?' In 2013: 'Leest u wel eens voor aan kinderen of volwassenen?'

De meest genoemde reden om niet voor te lezen is dat er niemand is om aan voor te lezen. 60% van de niet-voorlezers heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen; 40% geen volwassenen. Andere, door minder mensen genoemde redenen zijn 'niet van voorlezen houden' (15%), 'er weinig tijd voor hebben' (10%) en 'niet goed kunnen voorlezen' (5%) (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Voorlezen gebeurt vooral aan kinderen

Nederlanders die voorlezen doen dat met name aan kinderen. Dit gebeurt het vaakst in de hoedanigheid van ouder, gevolgd door grootouder en/of een ander familielid. Voorlezen is hiermee een activiteit die hoofdzakelijk plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer. Het komt minder vaak voor dat volwassenen aan kinderen voorlezen op school, in de bibliotheek of in de zorg. Ditzelfde geldt voor het voorlezen aan volwassenen, zoals partners aan elkaar, een kind aan de ouders of een vriend aan een vriend of vriendin (Stichting Marktonderzoek Boekenvak/GfK, 2016.3; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Voorleesfrequentie Nederlandse ouders stabiel; tijdsbesteding daalt

Een kwart van de ouders met thuiswonende kinderen leest hen (bijna) elke dag voor. Nog eens een op de tien doet dit minimaal één keer per week. Ruim een derde van de ouders leest nooit voor. Het aantal ouders dat voorleest daalt ten opzichte van voorgaande jaren. Tevens zijn ouders minder vaak gaan voorlezen. Het is aannemelijk dat het beeld in werkelijkheid stabiel is. De vraagstelling is in 2017 veranderd (zie bijschrift grafiek). Dit is de meest voor de hand liggende verklaring voor de daling (KvB Boekwerk & GfK, 2017, meting 41; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse ouders

* Vraagstelling luidt: 'Hoe vaak leest u samen met een kind en/of volwassene voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2014-2016: 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?'

Ouders lezen hun kinderen vooral voor als deze jong zijn. 95% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 0 en 5 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen van 6 en 7 jaar gaat het om 89%. Ouders gaan minder voorlezen vanaf het achtste levensjaar, ongeveer het moment dat kinderen zelf kunnen lezen. 60% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 8 en 12 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen tussen de 13 en 18 jaar gaat het om 17% (KvB Boekwerk & GfK, 2017, meting 42). Ouders vinden hun kinderen vanaf dan in toenemende mate 'te oud' voor voorlezen. 31% van de ouders van 12-jarigen, 49% van de ouders van 14-jarigen en 64% van de ouders van 17-jarigen noemt dit als reden om het voorlezen te staken (Stichting Lezen, 2015).

Voorleesgedrag, naar leeftijd kind

In procenten van de Nederlandse ouders

De tijd die ouders van 0- tot 6-jarige kinderen in 2018 aan voorlezen uit boekjes besteden, ligt op gemiddeld 27 minuten per dag. Dit is evenveel als in 2017, maar 14 minuten minder dan in 2016 (een daling van 34%). Aan voorlezen uit tijdschriften en stripboeken wordt dagelijks 18 minuten besteed, tegen 21 minuten in 2017 (een daling van 14%) (Mediawijzer & The Choice, 2018). Ook het aantal ouders met 6- tot 12-jarige kinderen dat voorleest daalt. In 2014 doet 32% dit dagelijks, tegen 40% in 2012. Het aantal ouders dat nooit voorleest stijgt in deze periode van 19% naar 24% (Panteia & ITS, 2014).

Moeders schenken meer aandacht aan voorlezen dan vaders

Ruim de helft (55%) van de moeders leest dagelijks voor aan hun kind. Bij vaders gaat het om 45%. Beide ouders gaan minder vaak voorlezen als hun kind ouder wordt (zie grafiek) (Stichting Lezen, 2015). De voorleessessies van moeders duren langer dan die van vaders, en ze gebruiken vaker interactieve voorleestechnieken (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014). Moeders lezen vaker voor van papier én van het scherm, hoewel het verschil met vaders bij papier groter is (Mediawijzer & The Choice, 2018).

Voorleesgedrag, op dagelijkse basis, naar sekse ouder en leeftijd kind

In procenten van de Nederlandse ouders

Er zijn ook verschillen tussen vaders en moeders in de boekgenres waaruit zij voorlezen. Terwijl vaders vaker voorlezen uit stripboeken (met name aan hun zoons), lezen moeders vaker voor uit prenten- en plaatjesboeken. Vaders en moeders lezen even vaak voor uit kinder- en jongerenboeken, informatieve boeken, tijdschriften en kranten. Er wordt door beide ouders veruit het vaakst voorgelezen uit verhalende boeken of fictie (met of zonder prenten) (Stichting Lezen, 2015).

Bijna de helft (49%) van de kinderen wordt (volgens ouders zelf) het liefst voorgelezen door hun moeder. 11% vindt het leuker om door hun vader te worden voorgelezen. De overige 41% heeft geen duidelijke voorkeur (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014). Er zijn geen verschillen in de frequentie waarmee Nederlandse zoons en dochters worden voorgelezen (Stichting Lezen, 2015).

Andere vrouwelijke familieleden, zoals grootmoeders en tantes, lezen ook vaker voor dan hun mannelijke evenknieën (KvB Boekwerk & GfK, 2011, meting 16).

Driekwart Nederlandse grootouders leest weleens voor

Bijna drie op de vier (73%) Nederlandse grootouders met kleinkinderen tussen de 0 en 12 jaar lezen hen weleens voor. Drie op de tien grootouders geeft aan vaak of (bijna) altijd voor te lezen aan het kleinkind dat ze het vaakst zien. Vooral als ze een oppasfunctie vervullen, vindt het voorlezen regelmatig plaats (KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37).

Boeken worden eerder én anders gebruikt dan digitale media

Jonge kinderen maken, van alle media, als eerste kennis met boeken. 85% van de 0- tot 2-jarigen is reeds in aanraking geweest met (voorlees)boekjes. Op 3- tot 4-jarige leeftijd is dit percentage gestegen naar 96%, op 5- tot 6-jarige leeftijd naar 100%. Kinderen maken gemiddeld kennis met boeken als ze 1,1 jaar jong zijn. Voor de televisie is dat 1,3 jaar, voor de tablet 2,5 jaar, voor de smartphone 2,7 jaar, voor de laptop 3,2 jaar, voor de e-reader 3,9 jaar en voor de spelcomputer 3,5 jaar (Mediawijzer & The Choice, 2018).

In de meeste jonge gezinnen gebeurt het gebruik van boeken samen en van (digitale) schermmedia alleen. 13% van de 0- tot 6-jarigen leest of bekijkt een boekje meestal in zijn of haar eentje. Bij digitale verhaaltjes gaat het om 17%, terwijl 31% filmpjes meestal alleen bekijkt en tussen de 20% en 30% allerhande spelletjes meestal alleen speelt (Mediawijzer & The Choice, 2018).

Ouders zijn actief bezig om het gebruik van boeken bij hun kinderen te stimuleren. 68% zegt vaak een voorleesboek uit de kast te pakken, meer dan de groep die de interactieve smart televisie (34%), tablet (31%) en gewone televisie (31%) aanprijst (Mediawijzer, 2016).

Wie lezen er voor, en hoe lang en hoe wordt er voorgelezen?

Het zijn met name Nederlanders tussen de 35 en 49 jaar, vrouwen en hoger opgeleiden die weleens voorlezen (KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37). Voorlezers hebben over het algemeen een sterke affiniteit met de leescultuur. Ze lezen en kopen regelmatiger zelf boeken, hebben een rijker gevulde boekenkast en zijn vaker in het bezit van een bibliotheeklidmaatschap dan niet-voorlezers. Bovendien worden ze zelf vaker voorgelezen. Bij één op de vijf gebeurt dit weleens, terwijl het gaat om één op de twintig niet-voorlezers. Als kind is 91% van de voorlezers voorgelezen, tegen 74% van de niet-voorlezers (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Een voorleessessie duurt gemiddeld tussen de 5 en 15 minuten. Driekwart van de voorlezers besteedt per keer zoveel tijd aan het voorlezen. Een kleine 10% zegt meestal minder dan 5 minuten voor te lezen, terwijl 15% er meer dan een kwartier voor uittrekt. 80% van de voorlezers leest hetzelfde boek weleens meer dan één keer voor (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Voorlezen is vrijwel nooit zómaar voorlezen. Vrijwel alle voorlezers zoeken ook op andere manieren de interactie met degene aan wie ze voorlezen. 95% maakt lichamelijk en/of oogcontact en 91% gebruikt speciale gebaren en/of stemmetjes om de tekst te verduidelijken. Daarnaast ruimt 92% tijdens en 84% na afloop van de voorleessessie tijd in voor vragen en uitleg. Deze heeft betrekking op het verloop van het verhaal, de betekenis van moeilijke woorden en/of het aansluiten van de tekst op de belevingswereld (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).