Welke kinderen zijn goed in lezen?

-> Kinderen op de hogere schoolniveaus boeken betere leesprestaties. Laaggeletterdheid komt uitsluitend voor op het vmbo.

-> Meisjes zijn leesvaardiger dan jongens, een kloof die breder wordt met het klimmen der jaren. Alleen op woordenschat zijn hun prestaties nagenoeg gelijk.

-> Kinderen van lager opgeleide ouders zijn zwakker in lezen, maar vergeleken met andere landen is de sociale kloof klein.

-> Migrantkinderen, die thuis weinig tot geen Nederlands spreken, zijn minder leesvaardig. Dat komt vooral door hun sociale status en doordat ze op achterstandsscholen zitten.

-> De keuze voor een school is in Nederland sterk bepalend voor de leesvaardigheid. 

-> Het technisch lezen wordt niet bepaald door de achtergrond, maar door de kwaliteit van de instructie.

Kloof in leesvaardigheid tussen onderwijsniveaus

Aan het eind van groep 8 zijn de verschillen in taal- en leesvaardigheid tussen leerlingen enorm. De meest vaardige lezers stromen door naar de middelbare school met een vwo-advies op zak. De minst vaardige lezers gaan naar de basisberoepsgerichte stroming van het vmbo. Dat kinderen met een lager advies voor het voortgezet onderwijs minder goed presteren, geldt voor woordenschat, spelling, taalverzorging en begrijpend lezen. Zelfs tussen het vwo en de havo is het verschil aanzienlijk, met name op begrijpend lezen. Het kleinst is het verschil tussen de vmbo-leerwegen gemengd theoretisch en kaderberoeps. De verschillen tussen de schoolniveaus zijn in de loop der jaren nagenoeg onveranderd (Hemker, 2016).

Begrijpend lezen groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In gemiddelde scores

Woordenschat groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In gemiddelde scores

Spelling groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In gemiddelde scores

Taalverzorging groep 8, naar advies voortgezet onderwijs

In gemiddelde scores

Gedurende het voortgezet onderwijs blijven de verschillen in leesvaardigheid bestaan. De kloof is binnen het vmbo het grootst: 15-jarige leerlingen op vmbo gl/tl halen gemiddeld 97 punten meer in PISA dan hun leeftijdsgenoten op vmbo basisberoeps. Alle vmbo-niveaus zitten onder het gemiddelde voor Nederlandse leerlingen. Havisten en vwo’ers scoren daar juist boven. Terwijl de prestaties op de havo en het vwo in de loop der jaren stabiel zijn, boeken vmbo-leerlingen een lichte achteruitgang. Deze daling is overigens niet significant en dus niet ‘betekenisvol’ (Cito, 2016).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar opleidingstype

In gemiddelde scores

Laaggeletterdheid komt uitsluitend voor op de lagere opleidingstypen. Ten minste de helft van de 15-jarigen in het praktijkonderwijs en de basisberoepsgerichte stroming van het vmbo is laaggeletterd. In de eerste twee leerjaren van het vmbo en op vmbo kaderberoeps gaat het om minstens één op de drie leerlingen (Cito, 2016; Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010). Laaggeletterde leerlingen beperken zich over het algemeen tot het opzoeken van noodzakelijke informatie en het lezen van verplichte teksten op school. Ze lezen nauwelijks fictie-boeken (Kordes, Feenstra, Partchev, Feskens & De Graaf, 2012).

Laaggeletterdheid 15-jarigen, naar opleidingstype

In procenten

Op het vwo scoort 37% van de leerlingen in de hoogste categorieën voor leesvaardigheid. Zij behoren tot de hooggeletterde lezers. Op de havo gaat het nog altijd om 12%, op vmbo gl/tl om 1%. Op de overige niveaus van het vmbo en het praktijkonderwijs zitten geen hooggeletterde leerlingen (Cito, 2016).

Jongens minder leesvaardig, maar verschil wordt kleiner

Meisjes zijn in het basis- en voortgezet onderwijs betere lezers dan jongens. Ze scoren op 10-jarige leeftijd 6 punten hoger in PIRLS (jongens 543 punten; meisjes 549 punten) en op 15-jarige leeftijd 24 punten hoger in PISA (jongens 491 punten; meisjes 515 punten). De seksekloof is in Nederland kleiner dan in de meeste andere landen, maar eveneens significant (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012Cito, 2016). Nederlandse meisjes lopen ongeveer een heel schooljaar voor op jongens (Eurydice, 2011).

In de afgelopen jaren zijn de leesprestaties van 10-jarige jongens en meisjes naar elkaar toegegroeid. Nederland behoort, net als Zweden, tot de weinige landen waar de seksekloof verkleint. Dat komt vooral doordat meisjes het sinds 2001 minder goed gaan doen (en niet doordat jongens leesvaardiger worden) (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012). De seksekloof op 15-jarige leeftijd is sinds 2006 even breed. Tussen 2003 en 2006 verwijdde de kloof zich. Jongens gingen in die periode slechter lezen, terwijl de prestaties van meisjes op hetzelfde niveau bleven (Cito, 2016Kordes, Bolsinova, Limpens, Stolwijk, 2013).

10-jarige meisjes zijn niet beter in het verwerken van informatie en het maken van inferenties, maar wel in het interpreteren, integreren en evalueren van informatie. Het verschil met jongens is alleen voor deze complexe teksttaak significant (Netten, Droop, Verhoeven, Meelissen, Drent & Punter, 2012). 15-jarige meisjes doen het beter op alle drie de onderdelen: het zoeken en vinden van informatie, het interpreteren van teksten en het reflecteren op en evalueren van teksten (Gille, Loijens, Noijons & Zwitser, 2010).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar sekse

In gemiddelde scores

De seksekloof wordt breder met het klimmen der jaren. Voor een meisje is het op 10-jarige leeftijd 1,4 keer zo waarschijnlijk dat ze een vaardige lezer is. Op 15-jarige leeftijd is deze kans gestegen naar 1,6 keer (Eurydice, 2011). De kloof openbaart zich met name onder zwakke lezers. De verschillen tussen jongens en meisjes in het praktijkonderwijs en op het vmbo zijn groter dan op de havo en het vwo (Stoet, 2013). Daarnaast tekent de kloof zich vooral af onder kinderen uit migrantengezinnen (Dronkers & Kordner, 2014). De seksekloof bestaat al minstens honderd jaar: er is dus geen sprake van een ‘jongenscrisis’ (Voyer & Voyer, 2014).

Meisjes beter in meeste taalonderdelen

Meisjes presteren aan het eind van groep 8 beter op spelling, taalverzorging en begrijpend lezen. Op woordenschat scoren jongens en meisjes nagenoeg gelijk. De verschillen tussen de seksen bestaan sinds 2008, maar de kloof wordt smaller. Jongens hebben hun prestaties op spelling en begrijpend lezen weten te verbeteren, meisjes die op woordenschat (waarop zij het voorheen minder goed deden) (Hemker, 2016).

Begrijpend lezen groep 8, naar sekse

In gemiddelde scores

Woordenschat groep 8, naar sekse

In gemiddelde scores

Spelling groep 8, naar sekse

In gemiddelde scores

Taalverzorging groep 8, naar sekse

In gemiddelde scores

In het periodiek peilingsonderzoek presteren meisjes ook beter op woordenschat. Bovendien zijn ze vaardiger in het opzoeken van informatie en in begrijpend, interpreterend en studerend lezen (Cito, 2014). Ze behalen, met 73% tegenover 70% van de vragen goed, ook een hogere score op het onderdeel taal van de Cito-toets (Onderwijs in Cijfers, 2015).

Halverwege de basisschool presteren meisjes beter op spelling en begrijpend lezen, terwijl de seksen het evengoed doen op woordenschat (Van Weerden, Hemker & Mulder, 2014). In het periodiek peilingsonderzoek scoren meisjes echter tevens hoger op woordenschat. Daarnaast zijn ze beter in alfabetiseren en begrijpend en interpreterend lezen (Cito, 2014). Onder groep 4- en 5-leerlingen blijft de kloof tussen jongens en meisjes in de loop der jaren ongeveer even breed (Van Weerden, Hemker & Mulder, 2014).

De seksekloof ontstaat al tijdens de vroeg- en voorschoolse periode. In Amerikaans onderzoek zijn er op leeftijden van 14, 24 en 36 maanden verschillen gevonden in taalbegrip en woordenschat, in het voordeel van meisjes (Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Seksekloof kleiner voor digitaal lezen

De achterstand van jongens in digitaal lezen is geringer dan bij lezen van papier. Bij zestien deelnemende landen aan een aanvullende PISA-enquête, waar Nederland overigens niet bij hoort, scoren 15-jarige meisjes gemiddeld 24 punten hoger. Voor het lezen van papier is het verschil 38 punten. Jongens zijn, in vergelijking met andere talige onderdelen, vaardig in online zoeken en navigeren. Overigens hangen de twee vormen van geletterdheid sterk met elkaar samen: hoe vaardiger in lezen van papier, hoe vaardiger in digitaal lezen (PISA in Focus, 2012).

Kind met hoger opgeleide ouders is betere lezer

Groep 8-leerlingen met lager opgeleide ouders presteren zwakker op woordenschat, spelling en begrijpend lezen dan kinderen met midden en hoger opgeleide ouders. Ook in het opzoeken van informatie en het interpreterend en studerend lezen zijn ze minder vaardig. Deze verschillen bestaan al in groep 4 en 5, alleen zijn ze daar geringer. Basisscholen waarop hoofdzakelijk leerlingen uit lager opgeleide gezinnen zitten, boeken eveneens minder goede leesprestaties (Hemker & Van Weerden, 2015; Cito, 2014).

Begrijpend lezen groep 8, naar opleidingsniveau ouders

In gemiddelde scores

Woordenschat groep 8, naar opleidingsniveau ouders

In gemiddelde scores

Spelling groep 8, naar opleidingsniveau ouders

In gemiddelde scores

Ook op 15-jarige leeftijd boeken kinderen van hoger opgeleide ouders de beste leesprestaties (Cito, 2016). Het ouderlijk opleidingsniveau is in Nederland een minder goede voorspeller voor de leesvaardigheid dan in veel andere landen. Nederlandse kinderen uit lager opgeleide gezinnen hebben relatief goede kansen om uit te groeien tot vaardige lezers. Hun vooruitzichten zijn beter dan die van Duitse en Belgische, maar slechter dan die van Finse en Noorse leeftijdsgenoten (OECD, 2011).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar opleidingsniveau ouders

In gemiddelde scores

Kind van in Nederland geboren ouders is betere lezer

Groep 8-leerlingen met in het buitenland geboren ouders zijn minder vaardige lezers dan kinderen met in Nederland geboren ouders. Ze presteren zwakker op woordenschat, het opzoeken van informatie en begrijpend, interpreterend en studerend lezen (Cito, 2014). Deze kloof blijft op de middelbare school bestaan. Op 15-jarige leeftijd presteren kinderen van in het buitenland geboren ouders nog altijd minder goed op leesvaardigheid. Kinderen die zelf ook in het buitenland geboren zijn, doen het nog minder goed. Het verschil tussen deze zogenaamde migranten van de tweede en eerste generatie is overigens niet statistisch significant en dus niet ‘betekenisvol’ (Cito, 2016). 

Binnen de eerste generatie zijn er dan wel weer omvangrijke verschillen. Hoe jonger kinderen zijn als ze zich in hun nieuwe land settelen, hoe zonniger hun kansen. Met name migranten uit minder ontwikkelde landen profiteren van een ‘early arrival’ in hun nieuwe thuisland (PISA in Focus, 2013).

Kind van Nederlands sprekende ouders is betere lezer

Groep 8-leerlingen die thuis een vreemde taal spreken, presteren minder goed op woordenschat en begrijpend lezen. Op spelling is hun achterstand gering. Dat geldt voor kinderen die thuis uitsluitend een vreemde taal spreken, maar ook voor kinderen die thuis een vreemde taal naast het Nederlands spreken - zij het in mindere mate. In groep 4 presteren de uitsluitend anderssprekenden juist beter dan de tweetaligen. Sinds 2008 wordt de kloof smaller. Kinderen van anderstalige ouders lopen hun achterstand op Nederlandstaligen langzaam in (Hemker & Van Weerden, 2015; Van Weerden, Hemker & Mulder, 2014).

Begrijpend lezen groep 8, naar thuistaal ouders

In gemiddelde scores

Woordenschat groep 8, naar thuistaal

In gemiddelde scores

Spelling groep 8, naar thuistaal

In gemiddelde scores

Gegevens over 2012 en 2013 zijn niet beschikbaar

Het maakt veel uit welke vreemde taal er thuis gesproken wordt. Turks pratende kinderen (uitsluitend dan wel naast het Nederlands) hebben de grootste achterstand, gevolgd door kinderen die thuis Arabisch, een van de talen uit Suriname of een van de talen op de Antillen spreken. Kinderen die thuis een andere West-Europese taal spreken, presteren ongeveer even goed op begrijpend lezen, woordenschat en spelling als kinderen die thuis Nederlands spreken (Van Weerden & Hemker, 2012; Cito, 2012).

Het thuistaalverschil blijft op de middelbare school bestaan. 15-jarige leerlingen die thuis een andere taal spreken als op school (in Nederland het Nederlands), scoren gemiddeld 58 punten lager op de toets voor leesvaardigheid. Dat verschil is stabiel ten opzichte van het PISA-onderzoek in 2012 (Cito, 2016).

Leesvaardigheid 15-jarigen, naar thuistaal

In gemiddelde scores

Niet etniciteit, maar sociale omgeving is oorzaak

Dat kinderen van in het buitenland geboren ouders zwakkere lezers zijn, komt niet zozeer door hun afkomst, als wel door hun lagere sociaal-economische status. Dat geldt voor migranten van de eerste en de tweede generatie. Nederland is het enige PISA-land waar de invloed van etniciteit verdwijnt als de welvaart en het opleidingsniveau worden meegenomen in de analyse (OECD, 2011; OECD, 2012).

De herkomst van de ouders wordt daarnaast overruled door de samenstelling van de school. De meeste migrantkinderen zitten op scholen met veel kinderen van lager opgeleide moeders. Nederland behoort in dit opzicht zelfs tot de koplopers in PISA. Migrantkinderen hebben, vanwege hun schoolkeuze, een minder goede kans hebben om een vaardige lezer te worden (OECD, 2012).

Tot slot zijn er de verwachtingen van het onderwijspersoneel. Leerkrachten in het kleuteronderwijs schatten de talenten en mogelijkheden van migrantkinderen lager in. Ze besteden bij deze kinderen daarom minder tijd aan geschreven taal. Migrantkinderen hebben dus vanaf jonge leeftijd geringere kansen, wat zich vertaalt in zwakkere leesprestaties aan het eind van groep 3 (Stoep, 2008).

Schoolkeuze sterk bepalend voor leesvaardigheid

Nederland staat in de Europese top 4 van het verband tussen schoolkeuze en leesvaardigheid. 62% van de verschillen in leesprestaties van 15-jarigen laten zich verklaren door verschillen tussen middelbare scholen. De schoolkeuze bepaalt dus sterk of een kind uitgroeit tot een vaardige lezer en het kwaliteitsniveau tussen scholen loopt sterk uiteen. Nederland bevindt zich in het gezelschap van Duitsland, België, Hongarije en Slovenië. In de Scandinavische landen, met percentages rond de 10% voor verschillen tussen scholen, doet het er voor de leesprestaties weinig toe op welke school een leerling zit (OECD, 2016).

Technisch lezen onafhankelijk van achtergrond

De prestaties op technisch lezen worden, anders dan op woordenschat, spelling en begrijpend lezen, nauwelijks beïnvloed door persoonskenmerken. Kinderen van hoger en lager opgeleide ouders, autochtone en allochtone kinderen, kinderen die thuis Nederlands of een vreemde taal spreken: de verschillen tussen deze groepen zijn aan het eind van de basisschool gering. De technische leesvaardigheid kan eerder worden toegeschreven aan het leesonderwijs, en dan met name aan de kwaliteit van de instructie (Onderwijsinspectie, 2006).